Garth op de vergeten planeet, door Piet Zeeman

Hoofdstuk 1: De Avonturier

De Melkweg, 3368. De mensheid heeft zich verspreid over honderden planeten. Reizen tussen de sterren is de gewoonste zaak van de wereld(en). Langer dan duizend jaar geleden werd het menselijke ras, dat toen een toppunt van zijn beschaving bereikt had, aangevallen door ruimteschepen van een volkomen vreemde en oorlogszuchtige beschaving. De oorlog die op de aanval volgde was kort, maar rampzalig voor de mensheid. Mischien een derde van de totale bevolking overleefde de slachting, terwijl de belangrijkste planeten werden vernietigd en de verbindingen tussen de vele bewoonde zonnestelsels volledig verbroken. De vloot van het vreemde ras verdween; een verpletterde, verslagen mensheid bleef achter. Niemand kwam er ooit achter wat de zin was geweest van deze vernietigende afstraffing. Duizend jaar nu zwerft het mensenras rond tussen de brokstukken van de vorige beschaving. Hoewel tientallen planeten opnieuw een zekere organisatie en samenwerking hebben bereikt worden er nog steeds werelden ontdekt die in vroeger dagen behoorden tot het grote rijk. Duizend jaar afgesneden van de rest van de mensheid hebben deze afzonderlijke, eenzame planeten vaak elke herinnering aan het bestaan van door mensen bevolkte werelden buiten de hunne vergeten...

Garth was het helemaal niet eens met de manier waarop ze hem behandeld hadden. Konden die jonge blagen van de ComPol zelfs een oude, vermoeide man niet meer rustig van zijn levensavond laten genieten? Garth was oud, erg oud. Meer dan tweehonderd jaar had hij gewerkt, en nu konden ze hem op z'n oude dag niet eens met rust laten. Ze hadden hem van z'n bed gelicht in het hotel waar hij de afgelopen maanden gewoond had, in een zwever gesmeten en meegenomen naar het ComPolhoofdkwartier van de sector. Hij had wat tegengestribbeld, maar een verdovende plofferstoot maakte daar al snel een einde aan.

En nu zat hij in een stoel tegenover de man die hij het grootste deel van zijn loopbaan had weten te ontlopen - het hoofd van de ComPol. Oh ja, de koppen veranderden steeds, en elke sector had natuurlijk een andere chef, maar voor Garth bleef het hoofd het hoofd. De ComPol was de min of meer geheime politiedienst van het Galactische Consortium, het GalCom, en Garth was een van de redenen voor het bestaan van een dergelijke politie. De man aan de andere kant van het grote bureau begon te praten.

``Zo Garth, je had zeker niet meer verwacht hier nog eens terecht te komen, wel? Sigaret? Iets drinken?'' Garth kende dit speciale hoofd niet. Op het bordje stond dat hij Veelal Kortsnim heette. Garth gaf geen antwoord, en de man begon iets voor te lezen. ``Will Garth, smokkelaar op grote schaal, dief, avonturier. Zelden gepakt, nooit veroordeeld voor enig vergrijp van belang. 238 jaar oud, kleur haar: zwart, lengte: een meter zeventig, wordt verdacht van de volgende delicten: - moet ik het allemaal voorlezen Garth? Ik zal het maar niet doen, want ik ben ook niet meer een van de jongsten, en als ik aan iets begin dan wil ik het graag afmaken... Hier, er staat ook nog dat je de laatste tien jaar niet meer actief bent geweest. Ach ja, een mens wordt oud...''

Garth liet de kerel kletsen. Als ze hem moesten hebben voor dingen die hij in het verleden gedaan had dan zat hij nu niet hier, maar in de bak. Ergo: ze wilden iets van hem. En Garth was niet van plan ze iets te bieden; hij was oud. Kortsnim zag dat Garth niet van plan was om vriendelijk mee te werken. Hij grinnikte. ``Je bent niet in zo'n beste bui, Garth. Wel, dat kan ik me voorstellen. Maar ik heb een voorstel dat je mischien in een beter humeur brengt. Wat zou jij er van zeggen - '' het hoofd van de ComPol leunde naar voren over de schrijftafel, ``wat zou jij er van zeggen om nog eens tweehonderd jaar te leven? Wat zou je er van zeggen om totale amnestie te krijgen? Je bent een beverig oud mannetje geworden, Garth... al je zonden worden je vergeven en je krijgt een prachtig nieuw lichaam op de koop toe... geen slecht voorstel, wel?''

Garth moest de woorden van Veelal Kortsnim even verwerken. Een nieuw lichaam! Hij had van de techniek gehoord, die het mogelijk maakte van lichaam te veranderen. Maar volgens Garth's informatie was het allemaal nog experimenteel en zeer geheim. Een nieuw lichaam! ``Wat moet ik er voor doen, eh Kortsnim? Je geeft het me vast niet alleen omdat ik zo'n lief gezichtje heb. Vertel maar op.'' Het hoofd van de ComPol grijnsde breed. ``Je moet er inderdaad het een en ander voor doen, Garth. Boeven zoals jij geven wij niets voor niets...''

Garth had het gevoel dat hij op een wankel krukje stond. Hij was gewoon een centimeter of veertig te hoog! Nooit, nooit zou hij kunnen wennen aan het nieuwe lichaam dat ze hem gegeven hadden. Een meter zeventig, tenger, licht. Dat was hij geweest vóór de behandeling. En nu was hij superGarth, twee meter lang, blond haar, spieren alsof ze in de uitverkoop waren geweest. Een lompe kleerkast, dat was hij. De eerste dagen dat hij met zijn nieuwe lichaam rondliep had hij nauwelijks naar beneden durven kijken. Hoogtevrees. Maar hij deed grommend alle oefeningen die hem waren voorgeschreven, en na een paar weken kon hij aardig met zijn nieuwe stoffelijke omhulsel omgaan. En dus werd het tijd om aan zijn opdracht te gaan denken. Niets voor niets, dat was hem vanaf het begin al duidelijk geweest.

``Gehoord van de planeet Marras?'' had Kortsnim hem gevraagd. Garth had er inderdaad van gehoord. Het was een van de planeten die tijdens de grote chaos het contact met de rest van de beschaving waren kwijtgeraakt. Hij was pas een jaar of vijf geleden door de verkenners van het GalCom herontdekt. In de duizend jaar volgend op de oorlog teruggevallen tot een barbaars stadium. Kolen en stoom. Edellieden en boeren. Zwaarden en knotsen. Een middeleeuwse puinhoop, en Garth voelde al dat hij er in moest gaan wroeten. ``Ja. Ik moet er zeker heen, Kortsnim?'' Het hoofd leunde achterover in z'n gemakkelijke stoel en grijnsde vettig. ``Marras is pas kortgeleden opnieuw door ons ontdekt, Garth. Je weet wat er in zulke gevallen door ons gedaan wordt. Je kunt de mensen op zo'n wereld niet direct inlijven bij het GalCom, dat zou een enorme culturele ``schok'' kunnen veroorzaken, met de raarste gevolgen. Denk maar aan Cynthia zes''.

Garth wist het. Cinthia zes was ook zo'n vergeten planeet geweest. Toen de schepen van het GalCom er landden dachten de verbijsterde maar diep gelovige bewoners dat het laatste oordeel was aangebroken, en dat de goden uit de hemel neerdaalden. Een groot deel van de planeetbevolking had zelfmoord gepleegd. Na dat incident was het GalCom de zaken voorzichtiger gaan aanpakken. Nieuw ontdekte, geïsoleerde planeten werden eerst een tijdlang geobserveerd. Daarna werden er geheime agenten gedropt die, als dat noodzakelijk was, een soort versnelde industriële of culturele revolutie op gang brachten. Al naar gelang de situatie waarin de planeet verkeerde werd er de stoommachine, de ruimtevaart, de antizwartekracht of het wiel geïntroduceerd. Pas als de beschaving ver genoeg gevorderd was kon er het eerste openlijke contact gelegd worden. Garth voelde al waar het naar toe ging. Hij zou zo'n agent moeten worden op Marras. Maar waarom al die moeite voor hem? Het GalCom had toch zeker voldoende bekwame mensen?

We zijn op Marras met ons gebruikelijke programma gestart, Garth. Een observatiebasis op een van de manen, onze mensen die naar beneden gingen om de boel wat beter te bekijken, je kent de procedure. Wel, alles ging een paar jaar prima en we dachten dat het een zacht eitje zou worden. Toen gebeurde er iets vreemds op Marras. Oorspronkelijk was de hele planeet verdeeld in honderden kleine koninkrijkjes, met ieder z'n eigen heerser. Niks bijzonders. Een plaatselijke dictator begon oorlog te voeren tegen zijn buurlandjes. Ook niet ongewoon, die hele planeet gonst voortdurend van de ruzies. Maar nu komt het ongewone gedeelte: binnen één jaar had die kerel de hele planeet aan zich onderworpen! Denk je eens in: honderden koninkrijkjes, een middeleeuwse planeet, en die vent loopt binnen een jaar alles onder de voet!'' Garth dacht het zich eens in. Met moderne wapens was zoiets natuurlijk een koud kunstje, maar met middeleeuwse middelen leek het bijna een onmogelijkheid. In ieder geval was het bijzonder ongewoon.

Maar niet ongewoon genoeg om Garth's achterdocht weg te nemen. ``Wat mankeert er verder nog aan Marras, Kortsnim?'' Het antwoord kwam zonder omwegen, een verrassing. Kortsnim grijnsde terwijl hij een dikke sigaar opstak. ``Het probleem is, dat onze agenten niet meer terugkomen. Sinds die dictator, Varishin heet hij, aan de macht is, is niet een van onze mensen teruggekomen van Marras. We zijn tot nu toe twaalf van onze beste agenten kwijtgeraakt, en we willen weten hoe en waarom. En dat, mijn beste Garth, ga jij voor ons uitzoeken. Je zult het moeilijk krijgen.'' Kortsnim scheen het een plezierig vooruitzicht te vinden. ``We gaan nu naar de maanbasis. Er staat een schip voor ons klaar. Onderweg krijg je je verdere training en alle informatie die je nodig hebt.'' Kortsnim stond op en hield de deur open voor Garth.

De reis naar het stelsel waarin Marras lag duurde enkele dagen en Garth werd in die tijd door Veelal Kortsnim en zijn mensen verder op de hoogte gebracht van de situatie op de vergeten planeet. Het was zo gemakkelijk, dacht Garth. Zwaarden, harnassen, kastelen, paarden... hij had die omgeving al een tiental keren meegemaakt, niet als agent voor het GalCom, maar als zelfstandig smokkelaar. Hoe vaak had hij niet jaren op zo'n wereld geleefd, gehandeld met de inboorlingen; hoe vaak was hij niet met een vette buit vertrokken, terwijl de agenten van het GalCom moeizaam hun vernieuwingen invoerden. Gesneden koek voor Garth. En was zijn doel niet hetzelfde als dat van het GalCom? Zo'n wereld werd heus niet ingelijfd om sentimentele redenen. Het ging ook GalCom om de winst, al dachten zij op iets langere termijn dan Garth. Maar die kwestie met die dictator zat hem niet lekker. Het zou gevaarlijk zijn op Marras.

De tijd die hij eigenlijk zou moeten besteden in de historische afdeling om allerlij dingen over Marras te leren bracht Garth door met het oefenen van zijn lichaam. Hij kon de grote, lompe gestalte nog steeds niet beschouwen als iets dat helemaal bij hem hoorde, maar Garth was verstandig genoeg om elke beschikbare minuut te gebruiken om aan het idee te wennen. De puur lichamelijke oefeningen waren geen probleem geweest, maar tegen de tijd dat ze bij de maanbasis waren dacht de complete bemanning van het ruimteschip dat hij volslagen getikt was. Uren achter elkaar stond hij gekke gezichten te trekken voor een spiegel of tegen zichzelf te praten. Hij moest weten hoe zijn nieuwe gezicht er uit zag. Alle uitdrukkingen die hij als smokkelaar, valsspeler, oplichter en doodgewone leugenaar zonder moeite op zijn oude gezicht had kunnen toveren moesten opnieuw worden aangeleerd. Voor iemand als Garth waren wapens en spieren volledig onbelangrijk vergeleken bij de kunst van het toneelspelen.

Garth's bezoek aan de maanbasis was niet langer dan hoogstnoodzakelijk. Hij kreeg gelegenheid om nog een stukje te eten en om zich te verkleden in het feestkostuum dat hij op Marras zou dragen. De ComPol experts hadden gekozen voor het uniform van een lid van Varishins garde. Een harnas. Zwaard, gepluimed helm, de hele imposante poppenkast. Het uniform moest Garth in staat stellen althans een tijdje goed beschermd en gewapend op Marras rond te lopen. Doodgewone burgers droegen geen wapens. Garth was niet zo blij met het uniform, want hij wist uit ervaring dat soldaten vaak orders moeten opvolgen en dat soort vervelende dingen, iets dat hem meestal slecht uitkwam. Veelal Kortsnim was echter onverbiddelijk. ``Voor mijn part trek je het uit zodra je geland bent, sukkel. Ik weet alleen dat dat schattige nieuwe lichaam van jou de ComPol een boel geld heeft gekost, en dat ik het graag min of meer heel terug wou zien!'' - ``Geef me dan tenminste vrijetijdskleding mee!'' deed Garth nog een zwakke poging, maar hij zag aan Kortsnims gezicht dat die niet in de stemming was voor verdere kwinkslagen, dus hij liet het daar maar bij. En nu worstelde hij met de zware metalen borstplaten, bij voorbaat al kreunend bij de gedachte aan het plezier dat het loodzware harnas hem zou verschaffen zodra hij in de vrolijke zomerzon van Marras belandde. Wankelend onder het gewicht van de ijzerwinkel die om zijn schouders hing kloste hij wat later door de gangen van het maanstation, op weg naar de pendel die hem naar de planeet zou brengen. ComPol mensen zwermden als muskieten om hem heen terwijl hij werd bestookt met informatie-op-het-laatste-moment; weerberichten, persberichten over allerlij veldslagen, bepaalde gerechten die hij niet moest eten, dingen die hij beslist moest eten, enzovoorts. Garth deed zijn best om het allemaal te onthouden terwijl hij tegelijkertijd de grootste moeite had om geen der lastige mannetjes een oog uit te prikken met het enorme, onhandige zwaard dat een geheel eigen leven scheen te leiden op zijn rug.

Op de drempel van de luchtsluis draaide hij zich plechtig om naar Veelal Kortsnim die hem op veilige afstand door de gangen gevolgd was. ``Ave Ceasar, Morituri te Salutant!'' Kortsnim keek hem niet-begrijpend aan. Het hoofd van de ComPol kende kennelijk zijn klassieken niet. ``Zij die sterven gaan groeten U, Kortsnim. Iets uit een oude film.'' Grijnzend stapte hij achterwaards de sluis in. Behulpzaam rende een agent achter de helm aan die van zijn hoofd rolde toen hij zich tegen de te lage sluisopening stootte. Korstnim grijnsde vals. ``Daar zou ik een beetje op letten, Garth. Een soldaat die op die manier zijn helm kwijtraakt is niet erg geloofwaardig. Succes!'' Garth sloeg grommend de sluisdeur dicht. Het noodlot had geen gevoel voor dramatiek.

De pendelpiloot knikte kort naar Garth terwijl hij de instrumenten naliep. Een paar tellen later steigerde het kleine ruimtescheepje en steeg schuddend op. De piloot was nonchalant en niet erg geconcentreerd, merkte Garth op. Voor hem was dit een routinevlucht en hij maakte zich nergens druk om. Geen wonder; over een uurtje zat hij weer veilig op de basis, de bofferd. Garth vroeg zich af wanneer hij eens rustig van de zegeningen van z'n nieuwe lichaam kon gaan genieten. Het zou er voorlopig wel niet van komen. Eerst moest er daar beneden een klusje worden opgeknapt... ``Zo, hier ga je eruit.'' gromde de piloot toen hij door het wolkendek brak. De reis zat er op. Met afgezette motoren gleed het scheepje naar de grond terwijl Garth de omgeving bestudeerde. Bos. Bos. Nog meer bos verderop. Somber keek Garth naar zijn loodzware wapenrusting. Hij zou een heel eind moeten lopen met die glimmende rammelkast aan z'n lijf, en dat beviel hem helemaal niet. Een kort gebrul van de motoren en de pendel stond stil op een kleine open plek in het bos. Het luik sprong open en Garth klom moeizaam naar buiten. ``Hee makker, als ik niet terugkom, mag jij m'n reservehelm hebben!'' Maar de piloot hoorde hem niet want de deur was alweer met een sissend geluid dichtgeslagen. Garth maakte dat hij wegkwam. Hij voelde de hete adem van de raketmotor in z'n rug.

``Altijd even hartelijk, die jongens van de ComPol..'' mompelde hij terwijl de pendel alweer snel kleiner werd boven hem. ``Welaan, geen kinderachtig getreuzel nu! Er is werk te doen!'' Garth snoof de boslucht diep in zijn longen. Niet slecht. ``Eens kijken. Wat gaan we doen. Die nieuwbakken keizer, Varishin opsporen. Hem beleefd vragen hoe hij het heeft klaargespeeld om deze hele planeet te onderwerpen. Vertellen dat hij geen GalCom agenten mag doodmaken en hem laten beloven dat hij het nooit meer zal doen. En dan zegevierend terugkeren naar de maanbasis en daar trouwen met de schone prinses, die ik onderweg ongetwijfeld wel ergens zal oppikken. Schitterend! Leuke baan, afwisselend werk, veel in de buitenlucht, je komt nog eens in contact met mensen...''

Met een nijdige ruk aan de helm die maar steeds voor zijn ogen wilde zakken begon Garth te lopen. Rammelend zocht hij zijn weg tussen de dikke boomstammen, in de richting van het kleine stadje dat hem op de kaart was aangewezen. ``Varishin, ouwe boef, pas maar op! Ik, Garth, het eenmansleger zal je wel eens een toontje lager laten zingen!'' Garth grijnsde mismoedig terwijl hij voelde hoe het harnas nu al aan alle kanten begon te schuren en te knellen...

Hoofdstuk 2: De Rebellenbaron

Will Garth, interplanetair avonturier, is in opdracht van de ComPol, de galactische politieorganisatie, afgezet op de barbaarse planeet Marras. Vermomd als soldaat moet hij op zoek naar informatie; op Marras zijn vreemde dingen aan de hand...

``Hoe is het met je agent?''
``Goed. Vanmiddag is hij door de pendel afgezet op de planeet. Je raadt nooit wie ik voor de klus gevonden heb.''
``Vertel het maar. Er zijn tachtig miljard sukkels in de galaxis.''
``Dit is geen sukkel. Zijne beruchtheid Will Garth, smokkelaar, avonturier. Een expert in dit soort karwijtjes.''
``Wat? Je neemt me in de maling! Garth is dood. Of als hij nog leeft moet hij minstens een tweeëneenhalve eeuw oud zijn. Je stuurt me toch geen wandelend lijk op m'n dak?''
``Hij is tweehonderdachtendertig. En ik heb hem een nieuw lichaam gegeven. Garth is weer helemaal de oude. Pas maar op voor hem.''
``M'n complimenten. Ik had nooit gedacht dat je zo'n goeie te pakken zou krijgen. Nu kan het niet mislukken. Je hebt toch wel voor de, eh, voorzieningen gezorgd?''
``Dacht je dat ik gek was? De zender zit veilig ingeplant in z'n rug. Dat was het mooie van dat nieuwe lichaam; ik hoefde geen excuus te verzinnen om hem te opereren.''
``Briljant. Je verdient een bonus. Hij heeft toch geen argwaan?''
``Geen spatje. Zo blij als een kind met z'n nieuwe lichaam en z'n extra tweehonderd jaar. Maar pas op voor hem, hij is verdraaid snugger.''
``Jij zorgt voor jou zaken, ik voor de mijne. Goed, ik neem over een week of drie weer contact met je op. Eerder zal Garth hier niet zijn. Gegroet, Kortsnim.''
``Succes en sterkte, tovenaar.''

Veelal Kortsnim zag toe hoe het beeldscherm grijs werd. Hij mocht de man waarmee hij gesproken had niet, maar geld maakte veel goed. Een politieman verdiende slecht, en Veelal Kortsnim had dure liefhebberijen. Daarom verkocht hij zich. Behaaglijk leunde hij achterover in zijn stoel en keek uit over het maanlandschap.

Langzaam gleed zijn blik omhoog naar de groene bal die in de hemel hing. Marras! Op die vreemde, middeleeuwse planeet zou Will Garth spoedig ontdekken dat zijn missie heel anders was dan hij dacht... Veelal Kortsnim grinnikte.

Het was druk in de herberg. Het lage, rokerge lokaal was gevuld met oude mannen die zwijgend en somber uit grote kroezen bier dronken. Hun kleren waren oud en vuil. Ze schenen geen enkele aandacht te besteden aan Garth, hoewel hij toch geen alledaagse verschijning kon zijn in dit gehucht. Garth had zich genesteld in een soort alkoof tegen de achterwand van de herberg en nipte van het bocht dat in deze kroeg voor bier moest doorgaan. Al snel had hij gemerkt dat hij geen onderdelen van het zware harnas kon losmaken zonder er belachelijk uit te zien. De helm kon af, de handschoenen konden uit, maar dat was alles. Als hij z'n borstplaten losmaakte zag hij er uit als een robot die staat te wachten op z'n maandelijkse servicebeurt. De ComPol-pendelraket had hem een flink eind buiten de bewoonde wereld afgezet, en hij had uren gelopen voor hij dit kleine stadje in zicht kreeg. De slaperige poortwachter had hem maar al te haastig binnen willen laten nadat Garth de kerel de wind van voren had gegeven. ``Open die poort, blinde zoon van een manke mol! Een soldaat van de keizer eist toegang tot je stinkende stad!''

Precies zeggen waar het op stond hielp altijd, wist Garth. Maar nu zat hij hier in deze herberg, en had geen flauw idee wat hij verder moest doen. Misschien kon hij hier een paard en wat burgerkleren kopen, dan veranderde hij onderweg naar de hoofdstad van Marras van identiteit. Garth was er sinds zijn lange wandeling van overtuigd dat het harnas geen goede keuze was geweest.

Plotseling werd hij in zijn overpeinzingen gestoord door de binnenkomst van een zevental mannen. Ze waren anders en beter gekleed dan de andere gasten. Terwijl ze een plaats zochten en luidkeels om bier riepen begonnen de andere aanwezigen te vertrekken. Kroezen bier werden haastig leeggedronken, kaartspelletjes onderbroken, muntstukken op de tapkast geworpen. Geen vijf minuten later was de herberg leeg, op Garth en de laatstbinnengekomenen na. Ook de waard was nergens meer te zien. Onraad! Garth dacht snel na.

De plaatselijke ruziezoekers? onwaarschijnlijk. Dan hadden ze niet iedereen zonder meer laten vertrekken. De mannen konden het alleen maar op hem voorzien hebben. En wie heeft het op een gardesoldaat voorzien? Iemand die keizer Varishin geen warm hart toedraagt. Opstandelingen, rebellen dus. Goed, soldaat zijn beviel hem toch al niet meer. Hij zou nu rebel worden. tevreden over zichzelf leunde Garth achterover en dronk z'n bier op. Straks kon hij daar wel eens geen kans meer voor krijgen. Een grote kerel maakte zich los uit de groep en kwam op hem af. Garth trok de handschoenen dichter naar zich toe.

``Zo, soldaat.''
``Zo, kinkel.'' De grote vent bleef staan, lichtjes heen en weer zwaaiend op z'n benen. De andere mannen van het gezelschap deden of ze niets van het alles merkten.
``Mooi pakkie heb je aan, soldaat.''
``Mooie mannen, mooie pakkies, vent. En ga nu ergens anders staan stinken, je bederft m'n eetlust.'' Garth wuifde nonchalant met de metalen handschoenen die hij van de tafel had opgepakt.
``Mwah! Geef een slappeling een zwaard en hij denkt dat ie een vent is! Allemaal een grote mond die soldaten, zolang ze hun zwaarden tegen weerloze burgers kunnen gebruiken!''

De man grijnsde en spuwde op de grond voor Garth's voeten. Dus dat was de bedoeling! Ze probeerden hem te verleiden tot een ongewapend gevecht. Zodra hij zijn zwaard weglegde en met de grote uitdager op de vuist ging zouden zijn makkers zich over het wapen ontfermen en hem vervolgens in de pan hakken. Wel, hij zou het spelletje meespelen. Hij sprong overeind en rukte de riem waaraan het zwaard hing van zijn schouder. ``Hond! Waag je het om een gardist van de keizer een lafaard te noemen?!'' Garth dook op de man af. Dat was het startsein voor de anderen. Twee renden naar het zwaard toe terwijl de rest dolken tevoorschijn haalde en en zich op Garth wierp. Het was inderdaad een val geweest. Maar de aanvallers waren het, die gevangen werden.

Een minuut later keek Garth met voldoening neer op de stapel bewusteloze mannen aan zijn voeten. Natuurlijk had hij met z'n zwaard niet al z'n wapens afgelegd. Voor de vorm had hij zich een beetje verweerd tegen de vijf man die hem op zijn huid zaten, maar het eigenlijke werk was gedaan door de twee verdovers die de ComPol technici in de handschoenen van het harnas gebouwd hadden. Bij elke vuistslag die Garth uitdeelde kreeg het slachtoffer een korte stoot van een van deze dingetjes als toegift. Ze vielen als bladeren in een winderige herfst. Fluitend begon Garth riemen te zoeken om de stakkers vast te binden. Buiten ontdekte hij acht paarden die aan een paal voor de herberg vastgebonden waren. Acht! En ze waren met z'n zevenen. Dat kon betekenen dat ze hem als gevangene met zich mee hadden willen nemen. Mooi. Het duurde niet al te lang voor de verdoving uitgewerkt raakte, en Garth keek grijnzend naar de verbaasde gezichten van zijn slachtoffers toen ze bijkwamen en merkten dat ze gebonden waren.

``Fozz krijgt je toch wel te pakken, smeerlap'', waren de eerste woorden die Garth te horen kreeg. Ze waren niet bang, alleen maar kwaad. ``Ons heb je, maar Fozz krijgt jou, reken daar maar op! Je bent helemaal alleen hier, dat weten we, dus eigenlijk ben je al dood, gardist.''
``Waarom wilden jullie me te grazen nemen, jongens? Ik heb jullie toch niets gedaan?''
Een woest gelach was het antwoord. ``Maak maar geintjes, gardist. Maar als Fozz komt met de rest dan zul je wel anders piepen!'' Garth besloot de gok te wagen. ``Dus Fozz komt me halen, huh? Nou, dan zal ik hem de reis hierheen besparen. Breng me naar hem toe.'' Met de punt van zijn zwaard sneed hij de grootste van het stel los. ``Help jij je vriendjes even op hun paarden, dan gaan we naar de baas.''

Bijna geruisloos zoch de ruitergroep zich een weg door het donkere bos. Garth reed achteraan, het zwaard in de hand. De schuilplaats van de rebellen kon niet ver weg zijn, wist Garth. Hij had mischien een uur in de herberg doorgebracht voor de zeven vrolijke vrijbuiters binnenkwamen. Iemand had ze moeten waarschuwen dat hij er was; hoogstens een half uur heen, en een half uur terug. Hij wilde dat hij wat meer wist over hun organisatie! Hij had geprobeerd zijn gevangenen erover uit te horen, maar ze lieten niets los. Het enige dat Garth wist was dat een zekere Fozz hun aanvoerder was. Die moest hij dus hebben. Hij had al een paar verschillende leugenverhalen bedacht, die hij in diverse omstandigheden zou kunnen opdissen. Garth zou wel zien. Hij had in z'n leven genoeg gelogen en bedrogen om in vrijwel iedere situatie een smoes klaar te hebben.

Het kasteel rees als bij toverslag op tussen de bomen. Ze moesten een uitkijk met katteogen hebben, want de poort gleed geruisloos open op het moment dat Garth het bouwsel in het oog kreeg. Terwijl hij achter de anderen aan naar binnen reed was hij even bang dat hij onmiddelijk zou worden afgeslacht, halverwege zijn eerste leugen. De poort sloot zich achter hem. Een tweetal lantaarns werd aangestoken. Het waren dievenlantaarns, die maar een dunne spleet licht uitstraalden en ze waren allebij op Garth gericht. Verblind voelde Garth hoe een dolk tussen de halsopening van het harnas werd gestoken. ``Een beweging, gardist, en je bent er geweest.''

Garth bewoog niet. ``Handen thuis, uitvaagsel.'' bromde hij in plaats daarvan. ``Ga Fozz halen, hij zal blij zijn me te zien.'' Maar de stem achter hem snauwde" ``De baron slaapt, en ik voel er niks voor om hem te gaan wekken voor een smerige Varishinhond met een grote bek.'' Dat was de informatie waarop Garth had zitten hopen. Van de ComPolmensen had hij gehoord dat Marras, zoals de meeste barbaarse werelden, een uitgebreide adelstand bezat. Tot zijn vreugde kwam de verwachting uit dat de meeste opstandelingen wel geleid zouden worden door ontevreden edellieden. Goed. Een een baron nog wel!
``Laten we hem nou maar afmaken, dan kunnen we naar bed.'' klonk een ongeduldige stem links van Garth. Hij voelde dat het nu tijd werd voor een beetje actie. ``Goed, als jij me niet naar de baron brengt...'' Garth's zware, geharnaste arm vloog naar achteren. Hij hoorde iets kraken en de dolk verdween. Het paard begon te steigeren toen Garth het de sporen gaf. Een paar mannen sprongen haastig opzij en verloren hun evenwicht. De lantaarns werden nu verder opengedraaid omdat de bedieners ervan niets van de pret wilden missen. En pret was het! De binnenplaats was nu goed verlicht en Garth zag dat een stuk of vijftien goedgewapende rebellen op het punt stonden hem in mootjes te hakken. Twintig meter verderop was een grote deur met een trap ervoor. Die leidde ongetwijfeld naar het belangrijkste gedeelte van het kasteel, en daar moest hij dus de baron zoeken. Met een woeste strijdkreet liet Garth het paard vooruit springen terwijl hij met het grote zwaard boven zijn hoofd zwaaide. Twee mannen reed hij domweg omver, een derde werd geveld door zijn geharnaste voet. Een paar pijlen ketsten af op zijn borstharnas. Terwijl hij een overmoedige wachter naar dromenland zond met de platte kant van zijn zwaard, was Garth toch wel even dankbaar voor het beschermende harnas. Hij trok zijn voeten uit de stijgbeugels en schopte naar iedereen die in z'n buurt durfde te komen. Een zwaardhouw gleed af langs zijn rug. Garth zag de gezichten van de twee wachters bij de grote deur betrekken naarmate hij dichterbij kwam. Het zou ze later vast niet in dank worden afgenomen als ze opzij gingen om Garth door te laten, maar aan de andere kant kwam hij evengoed wel naar binnen, langs ze heen of over ze heen. Nog vijf meter scheidden hem van de trap. Garth bukte zich en graaide naar achteren om een durfal van z'n rug te schudden. Nu stromde het paard de trap op. Angstig beklom het dier een paar treden, daarna verloor het z'n evenwicht. Garth liet zich uit het zadel vallen en kwam bovenop de twee dappere, maar domme wachters bovenaan de trap terecht. Zijn rijdier viel achterover en plette een paar van Garth's achtervolgers. Hij hoopte dat het arme dier niets gebroken had. Eenmaal binnen gooide Garth de deur achter zich dicht en deed er een grendel op. Nu op zoek naar de slaapkamer van baron Fozz. Een paar mannen in onderbroek probeerden hem tegen te houden toen hij door de gangen rende, maar ze verdwenen al gauw toen hij even met het grote zwaard naar ze uithaalde. Een hoek om. Een soort eetzaal door. Nog een zware houten deur, die hij opnieuw achter zich vergrendelde. Hij kwam in de buurt. Hier lagen tapijten op de grond. Een dichte deur aan het einde van een gang met een wapenschild erop. Garth barstte door de deur heen; midden in de roos. Een gestalte zat rechtop in bed. ``Wat de...'' was alles wat hij kon uitbrengen. ``Baron?'' vroeg Garth terwijl hij de deur achter zich sloot en zijn helm afzette.
``Jawel, eh, maar wat...''
``Graaf Will Garth, met belangrijke informatie, geheel tot Uw dienst.'' Hij boog voor het bed.
``Wat... wie... wat komt U hier doen?'' De jongeman had zijn stem weer enigszins onder controle. Hij klom uit het bed en deed een mantel aan. Garth toverde zijn beminnelijkste glimlacht te voorschijn.
``Ik had wat last met Uw mannen, baron. Begrijpelijk, gezien het uniform. Maar waarom hebt U ze niet verteld dat ik zou komen, heer? Dat had een boel drukte gescheeld.'' Achter hem werd op de deur gebonkt. Iemand schreeuwde. ``Eh... dat U zou komen? Ik vrees dat ik niet helemaal begrijp...'' De baron gordde een zwaard aan en kwam langzaam op Garth af.
``Wat? Wilt U zeggen dat de boodschapper hier niet is aangekomen??'' riep Garth met geveinsde verbazing. De baron wist nu niet meer hoe hij het had. ``Welke boodschapper? Ik weet niets van een boodschapper af...'' Garth boog zijn hoofd.
``Mijn broer... hij is me vooruit gegaan... hij heeft het dus niet gehaald, de arme drommel. Zonder twijfel heeft een patrouille van Varishin hem gegrepen.'' Zelden had Garth zo'n vakkundig brok in z'n keel geveinsd.
``Wel, zulke dingen moeten we verwachten... het is tenslotte oorlog...''
Garth wendde zich af.

De deur werd intussen ingeslagen door iemand met een bijl. ``Ik zou die jongens maar even een seintje geven als ik U was, baron. Er blijft zo niets van Uw kasteel over.'' De baron leek blij dat hij iets wist om te doen. Met kordate stappen ging hij naar de deur en brulde ``Hou op, sukkels! Zijn jullie nou helemaal gek geworden?'' De baron draaide zich om naar Garth. ``Neem het ze niet kwalijk, graaf, eh... Garth? Het harnas werkt als een rode lap op een stier, dat kunt U zich wel voorstellen. Ik vind dat U me nu maar eens rustig moet vertellen wat er allemaal aan de hand is. Allereerst wil ik graag weten waarom U dat uniform draagt.'' Garth moest innerlijk lachen. Rustig praten en uitleggen, dat was z'n specialiteit.

De kleren die hij van de baron had mogen lenen pasten hem niet al te best, maar Garth was al lang blij dat het harnas in de kast kon. Beide handschoenen en het zwaard nam hij mee toen hij naar de rokerige zaal liep waar baron Fozz Redkliff zijn mensen bij elkaar had geroepen. Hij werd er begroet met duistere blikken van de mannen die hier en daar een verband droegen, maar de baron gaf zijn ondergeschikten geen gelegenheid tot morren.
``Jongens, dit is graaf Will Garth, en ik ben verdraaid blij dat we hem bij ons hebben! Hij is een moediger kerel dan iemand van ons waarschijnlijk ooit zal zijn, want hij heeft vermomd als gardist in een gestolen harnas een hele tijd de garnizoenen van onze onderdrukker bespioneerd. Zijn broer zou hier al eerder gekomen zijn, maar aangezien dat niet het geval is moeten we aannemen dat hij is gesneuveld. Graaf Garth kwam hier, om te zien of er in redkliff-land nog echte mannen zijn!''

Een spottend gejoel was het antwoord. ``Ik geloof dat we allemaal wel genoeg verstand hebben om in te zien dat onze strijd op den duur hopeloos is.'' Geschreeuw en gefluit van de opstandelingen makte hem het spreken een tijdje onmogelijk. Garth merkte tot zijn genoegen dat de lange ondergrondse strijd de verschillen tussen rang en stand in ieder geval hier wat had doen afnemen. ``Geef het nu maar toe, jongens! Varishin laat ons leven omdat we eenvoudig met te weinig zijn hier om z'n aandacht ook maar te trekken! Zodra we te lastig worden stuurt hij een garnizoen naar deze streek en dan is het met ons afgelopen. En daarom... EN DAAROM, vraagt graaf Garth vrijwilligers om met hem mee te gaan naar de hoofdstad Amarra om daar de rat Varishin in z'n eigen hol op te zoeken!''
Het geschreeuw sloeg nu om in gejuich, en duurde minutenlang. Garth wist dat z'n kostje gekocht was. Het verhaal dat hij Fozz had opgedist sloeg ook bij z'n mannen aan. De rebellen waren nu bereid om alvast een standbeeld voor hem te bouwen. ``Graaf Garth, de bevrijder van Marras'' zou er op komen te staan. Met een plechtig gezicht stond Garth op en hief zijn roemer wijn.

``Op de ondergang van Varishin, en op de bevrijding van de onderdrukten.'' Het plafond leek omlaag te komen tijdens het instemmende gebrul dat op zijn woorden klonk. Dat was trouwens niet zo onwaarschijnlijk, gezien de slechte staat waarin het kasteeltje verkeerde.

De nacht verliep verder heel plezierig, en met een uiterst tevreden gevoel zocht Garth tegen het ochtendgloren zijn slaapvertrek op. Hij ging op het bed liggen en vouwde zijn handen achter het hoofd. ``Nog maar een dag op deze rotplaneet en ik heb al een trouwe schare aanhangers. Dat wil ik die jongens van de ComPol wel eens zien doen.'' Hij dacht aan de zender die hij vlak na zijn landing ergens in het bos verstopt had, zonder veel hoop dat hij hem ooit nog eens nodig zou hebben om van deze planeet af te komen. Na vannacht had hij weer wat vertrouwen gekregen in het slagen van zijn missie...

Hoofdstuk 3: De Gouden Hel

Geland als spion op de barbaarse planeet Marras is Will Garth samen met een groep rebellen op weg naar de stad Amarra. In Amarra zetelt de tirannieke keizer Varishin...

``Hoe ver nog, Fozz?'' Garth had er meer dan genoeg van. ``We zijn er bijna. Niet lang meer. Ik geloof zelfs dat ik al wat zie...'' Baron Fozz Redkliff veegde het stof uit zijn ogen. Ze hadden de afgelopen drie dagen door een steeds rotsachtiger gebied gereisd, en de stemming was met het landschap verslechterd. Nu doemden de omtrekken van een stoffige stad op aan de horizon. ``Ah, Koongara!'' Met hun reisdoel in zicht gingen de ruiters rechter in het zadel zitten, terwijl ze hun paarden aanspoorden tot een laatste inspanning. Garth reed naast de jonge baron aan het hoofd van de ruitergroep van vijftien man. ``Oeff, het zal tijd worden, Fozz. Weet je dat ik vergeten ben wat zadelpijn precies betekent?'' Garth wist dat de kwelling nu bijna was afgelopen. Van Fozz had hij gehoord dat Koongara een havenstad was, en dat ze daarvandaan naar de hoofdstad Amarra zouden zeilen. En op een schip hoefde hij niet constant te doen alsof hij wist waar ze heengingen; het is lastig om iemand te laten geloven dat je van zijn thuisplaneet komt als je er voor de eerste keer bent. Garth klopte zijn paard op de hals. ``Ik zal blij zijn als ik dit trouwe diertje kan verwisselen voor een stevig dek onder m'n voeten... ha, ik ruik de frisse zeelucht al bijna. Hou jij van varen, Fozz?'' Fozz gaf geen antwoord maar keek hem vreemd aan. De reden daarvoor ontdekte Garth toen ze Koongara bereikten. Want Koongara was geen zeehaven, maar een woestijnhaven. Aan de kaden meerden geen schepen, maar grote wagens die door zeilen werden voortbewogen. De kust was het gebied waar het rotsgebergte plaats maakte voor een onafzienbare zandwoestenij. Garth besloot dat zijn opmerking over de frisse zeelucht maar als een grapje beschouwd moet worden... Terwijl Fozz' mannen de paarden verkochten en keken of ze ergens onderdak konden krijgen zaten Garth en de baron op een terras en keken naar de bedrijvigheid. Zeilwagens kwamen en gingen, er werd geladen en gelost en de kaden werden bevolkt door mensen van allerlij slag. Edellieden met hun bedienden, kooplui, soldaten en slaven. Garth en Fozz waren het er over eens dat ze niet zonder meer naar de hoofdstad konden gaan; een dekmantel was noodzakelijk. De macht van keizer Varishin was in Amarra het grootst. Vreemdelingen zonder duidelijk doel of een goede reden voor hun verblijf in de hoofdstad werden opgepakt door de garde. En dat was iets wat ze beslist wilden vermijden. Garth stootte Fozz aan en wees naar een man op de kade. ``Wie zou dat zijn?'' Fozz plukte aan zijn oren. ``Hm, ziet er uit als een hoge ome. Vast op reis naar Amarra om z'n opwachting bij de keizer te maken. Een overloper dus - kijk, daar heb je z'n gevolg.'' Dat gevolg bestond uit een tiental krijgshaftig uitziende mannen. Maar Garth had meer belangstelling voor de man zelf. Hij was groot, net zo groot als Garth zelf, en hij had een scherpgesneden gezicht. Het gezicht van een heerser, gewend om bevelen te geven. ``Kun je wat meer over hem uitvinden, Fozz? Ik geloof dat hij precies is wat we nodig hebben om in Amarra te komen...'' Met een grijns verdween Fozz. Even later kwam hij opgetogen terug. ``In de roos, Garth. De man is markies Villam van Wolmen, en zijn Floharr ligt hier al een paar dagen verwaaid.'' Floharr was het woord voor de zeilwagens die hier gebruikt werden, had Garth al snel geleerd. ``Er zijn stormen geweest volgens de waard. De markies komt van ver weg, en dit wordt zijn eerste bezoek aan het hof. Mooier kan het niet.'' Bedachtzaam volgde Garth de markies met zijn ogen. ``Ik denk dat hij het hof voorlopig niet te zien krijgt, beste Fozz. Jammer voor hem. We moesten maar eens uitzoeken wanneer hij vertrekt, en eh, ik denk dat we een snelle, lichte Floharr nodig hebben. O, en zorg ervoor dat je mannen met pijlen en bogen bewapend zijn.''

De woestijn had toch veel van een zee weg. Even uitgestrekt, even dodelijk voor wie er in terecht kwam. Terwijl Garth omhoog keek naar het grote zeil van de wagen waarop ze zich door de woestijn voortbewogen bedacht hij dat een schipbreukeling in deze zandmassa waarschijnlijk nog minder kansen had dan op zee. Niet voor niets werd dit uitgestrekte gebied de ``Gouden Hel'' genoemd zoals hij van Fozz hoorde. En in deze gouden hel zouden ze markies Villam van Wolmen overvallen. Om hun zeilwagen lichter en wendbaarder te maken had Fozz besloten om zo min mogelijk water en voedsel mee te nemen. Dat had wel als gevolg dat ze hun ``afspraak'' met de markies niet mochten missen: hun voorraden waren niet voldoende voor de terugweg.

``Achter deze heuvel gaan we in hinderlaag. We zijn eerder vertrokken dan de markies, en zijn wagen is veel zwaarder beladen en daardoor langzamer. We hebben nog alle tijd.'' Fozz riep orders naar zijn mannen, en ze gingen overstag. Even later kwam de zeilwagen tot stilstand achter een zandduin. De zeilen werden opgedoekt zodat de onbarmhartige zon vrij spel kreeg op het dek. ``En nu gaan we wachten. Als we onder de wagen gaan zitten hebben we tenminste nog een beetje schaduw, Fozz.'' Garth had nu al het gevoel dat hij levend gebraden werd. Fozz had echter een beter idee. ``We spannen een zeil over het dek, zoals gebruikelijk is. Ik dacht dat je dat toch wel wist?'' Garth zuchtte en keek schaapachtig. Hoe lang kon hij nog volhouden dat hij van deze planeet afkomstig was?

``Zeil in zicht!'' Een van de rebellen kwam teruggerend van het duin waar hij op de uitkijk had gelegen. ``Eindelijk,'' bromde Garth, ``ik was al bang dat mijn beurt ook nog zou komen om een uur op die heuvel te gaan liggen bakken.'' Ze hadden een dag moeten wachten op hun prooi, maar nu was het zover. ``Optuigen!'' riep Fozz. Even later schoot de lichte wagen achter het duin vandaan. Traag kwam de Floharr van de markies aangerold door het zand. Zwaarbeladen met water en voedsel voor de lange tocht naar Amarra, en nog eens extra verzwaard door de uitgebreide bagage van de markies. Een gemakkelijk slachtoffer. Ze helden een beetje over en het touwwerk kraakte toen de roerganger scherper aan de wind ging rijden om meer snelheid te krijgen. Ze joegen nu op de andere wagen af, waar hun komst inmiddels was opgemerkt. Over hun bedoelingen kon geen twijfel bestaan. De wagen van de markies werd snel ingehaald en ze kwamen langszij. De mannen van Fozz spanden hun bogen. Maar de hoge boorden van hun prooi boden de schutters geen doelwit, en daarom stuurde de roerganger zijn veel snellere wagen schuin voor die van de markies langs. Alles kraakte door de scherpe bocht, maar de pijlen snorden over de onbeschermde boeg en vonden hun slachtoffers. Garth had moeite om zijn evenwicht te bewaren toen ze overstag gingen om nogmaals voor hun slachtoffer langs te rijden. Weer deden de boogschutters hun werk. De mannen van markies Villam schoten terug, maar hun doelwit was kleiner en veel sneller. Nog een paar maal kruiste de lichte Floharr voor zijn zware tegenstander langs, toen gaf Fozz opdracht om buiten schootsbereik naast de markies te gaan rijden. ``Ik denk dat ze nu wel snappen wat we willen.'' Fozz ging er op zijn gemak bij zitten. Ze snapten het. De wagen van de markies minderde vaart en kwam tenslotte tot stilstand. De zeilen werden gestreken en even later begon de bemanning overboord te stappen.

``Wel, wel, wat hebben we hier?'' glimlachte Garth toen hij samen met Fozz en de andere rebellen het ontredderde en ongewapende groepje naderde. De soldaten van de markies hielden hun werkgever stevig vast, iets wat de man niet op prijs leek te stellen. Vloekend en tierend probeerde hij zich los te rukken - tevergeefs. Een van de soldaten nam het woord. ``Hij wilde zich niet overgeven, heer. En wij blijven liever in leven. Vandaar. Ik hoop dat dit, eh, gebaar onze overlevingskansen verhoogt.'' De man keek vol verwachting naar zijn overwinnaars. ``Wat doen we met ze, Fozz?''

``Doodmaken ligt het meest voor de hand, maar dat stuit me een beetje tegen de bosrst, eerlijk gezegd. En ze hebben zich tenslotte overgegeven. Kunnen we ze niet iets laten zweren of zo? Op erewoord vrijlaten en dat soort dingen...'' De soldaat kwam naar voren. ``Ik heb er eigenlijk niks op tegen om ook piraat te worden, als U begrijpt wat ik bedoel heren. De soldij is toch al niet best, en ik heb nu gezien hoe makkelijk het gaat... ik denk dat de rest van de jongens zich ook wel bij U aan wil sluiten.'' Fozz trok een bedenkelijk gezicht. ``Ik had hier eigenlijk niet op gerekend., moet ik toegeven. Een keurig bloedbad was me beter uitgekomen... we zullen krap komen te zitten met het water.'' ``Water?'' De soldaat lachte en maakte een handgebaar naar de woedende markies. ``Met water komen we wel krap te zitten, ja, maar de baas heeft een appeltje voor de dorst bij zich... z'n hele wijnvorraad. Hij was bang dat hij in Amarra niks fatsoenlijks te drinken zou krijgen. Vaten vol! Hee Villam, geef es een rondje!'' De markies gromde, en spuwde in het zand. ``Ik laat jullie allemaal vierendelen, onbetrouwbaar tuig! Jullie botten zullen verbleken in het zand!'' Verder had hij niks te zeggen. ``En wat doen we met deze adelijke blaaskaak?'' Garth was al blij dat het graven van een massagraf hem bespaard bleef. De hele overval was zonder veel bloedvergieten verlopen; een paar soldaten van de markies waren gewond geraakt, maar ze kwamen er wel door. Alleen de markies zelf leverde een probleem op.
``Waarom verkopen jullie hem niet?'' Een soldaat grijnsde bij de gedachte.
``Er moet toch zeker wel belangstelling zijn voor zo'n welgemanierde slaaf bij het woestijnvolk...'' Het leek Fozz geen slecht idee. In feite was iedereen het er mee eens, behalve de markies zelf natuurlijk. ``Goed, dat doen we. Ik denk dat ik wel een kampement kan vinden.''

Door de bloedrode avond die de woestijn nog meer het uiterlijk gaf van een stille, bevroren zee reed de luxe Floharr van markies Villam van Wolmen. Garth was druk bezig de kleren van de markies zo te vermaken dat ze hem zouden passen. ``Waarom hebben we geen edelman uitgekozen die wat beter in z'n spieren zat?'' gromde hij. ``Ik pas nooit in die kleren. Hee Fozz, zit er geen kleermaker bij je mannen?'' Fozz grijnsde sluw. ``Heb je dat nooit geleerd, Garth? Ik dacht dat iedere edelman op Marras in staat was om voor zijn eigen kleren te zorgen.'' De jonge baron kwam naast Garth zitten. ``We hebben nog een dag of tien voor we Amarra bereiken. Ik geloof dat ik maar eens moest beginnen je de hofetiquette te leren, en de juiste namen van dingen die je ongetwijfeld niet kent.''
Garth stopte met werken en keek hem aan. Fozz lachte. ``Graaf Garth van... eh, waar kwam je ook alweer vandaan?'' Garth begon te zweten. Hij wist niet meer wat hij die eerste avond voor naam verzonnen had. De naam was verder niet meer ter sprake gekomen. ``Eh, van Balma.'' Zoiets was het wel geweest. ``Dat moet dan een heel eind weg zijn zeg. Je bent niet zo bekend in deze buurt, dat heb ik wel gemerkt.'' Garth zweeg. Hij wist niet wat hij moest zeggen, en dat overkwam hem niet vaak.
``Je bent een buitenwerelder, niet?'' Fozz lachte nu niet meer maar keek hem strak aan. Garth's hersens werkten op volle toeren. Hoe praatte hij zich hier uit? ``Eh, ik snap niet wat je bedoelt, Fozz. Buitenwerelder? Denk je soms dat ik een duivel ben? Of heb je soms weer aan de wijnvoorraad van de markies gezeten?'' ``Je komt niet van Marras, dat is zeker. Ieder kind van vijf heeft gehoord van de gouden hel. En jij dacht dat het een zee was! Nee, zeg maar niks meer. Mijn vader heeft altijd beweerd dat onze wereld niet de enige was die door mensen werd bewoond. Dat er lang geleden bezoekers kwamen van de sterren. Er zijn legenden die daarop duiden.'' Fozz wees naar de schitterende gloed die de avondhemel verlichtte. ``Kom jij daar vandaan?'' Hier dicht bij het centrum van de Melkweg waren de sterren dichter gezaaid dan bij de rand, waar Garth het grootste deel van zijn leven had doorgebracht. Garth slikte. ``Ja.''

Garth stond op en liep naar het achterdek. ``Vertel eens, hoe is het daar?''
``Een puinhoop, Fozz. Honderden planeten die door de mens bewoond worden. Sommige zoals de jouwe, andere zo anders dat ik het je niet kan uitleggen. Het enige dat op al die werelden hetzelfde is, dat zijn wij, de mensen.'' Garth keek omhoog naar de vurige hemel. ``Ja, ik kom van de sterren.'' Garth praatte tot diep in de nacht met de jonge baron. Eerst vertelde hij alles over de oorlog die meer dan duizend jaar geleden het mensenras bijna uitgeroeid had, over de honderden werelden die sindsdien van elkaar afgezonderd waren geweest, de vele planeten die, zoals Marras, elke herinnering aan de rest van de mensheid, aan vroegere beschaving verloren hadden. Over de moeizame pogingen om de eenheid weet tot stand te brengen, en over zijn opdracht van de politieorganisatie ComPol. ``We proberen jouw planeet langzamerhand weer rijp te maken voor een contact met de rest van de mensheid. Dat wordt altijd heel voorzichtig gedaan. Daarom zijn er agenten, mensen zoals ik, op Marras geland. Er is alleen iets fout gegaan. De agenten laten niets meer van zich horen, en een dictator, keizer Varishin heeft binnen één jaar de hele planeet aan zich onderworpen. Iets zegt dan de mensen van de ComPol - ze hebben trouwens een basis op de maan - dat er iets vreemds gaande is. Ik ben hier om een nader onderzoek naar die Varishin in te stellen.'' Fozz zei niets. Hij had teveel informatie ineens gekregen. Net als een computer had hij nu tijd nodig om alle gegevens te verwerken. ``We praten morgen verder, Fozz. Dan kunnen we ook beginnen aan jouw cursus ``zeden en gebruiken van de planeet Marras''. Nu heb ik slaap.''

De daaropvolgende dagen gingen veel te snel voorbij naar Garth's zin. Fozz vertelde hem duizenden dingen over het leven in de hoofdstad, en hij had de grootste moeite om er ook maar een klein gedeelte van te onthouden. Ze maakten geen haast met de reis; er was genoeg leeftocht aan boord. De soldaten vermaakten zich opperbest toen duidelijk werd dat ze de echte markies aan de straatstenen niet kwijk konden. Als slaaf bleek hij nauwelijks waarde te hebben voor de nomaden die ze onderweg tegenkwamen. Tenslotte kwamen ze toch van hem af. Een handelaar wilde de markies wel overnemen, echter zonder betaling. Dat vonden de ex-soldaten van de markies niet erg. ``Laat 'm maar eens flink werken, dan wordt hij nog wel eens een vrij man. Ik heb er zelf ook twintig jaar voor gezwoegd om dat te worden!'' riep een van hen de handelaar na toen ze het kamp verlieten.

Op de vroege ochtend van de elfde dag werd het zinderende silouet van Amarra zichtbaar aan de woestijnhorizon. Ze hadden het midden van de gouden hel bereikt. Gedurende de dag zag Garth de stad groter worden, tot tenslotte de hele horizon gevuld was met de contouren van torens en muren. Amarra was groot, enorm groot. Ze negeerden de lange rij wachtende zeilwagens voor de poort en reden rechtstreeks naar binnen. ``Een markies gaat niet achter boeren en kooplui in de rij staan, m'n best Fozz,'' lachte Garth toen hij terugkwam van de boeg, vanwaar hij een tamelijk beledigende tirade had afgestoken tegen de wachters bij de poort, de mensen op de kade en verder iedereen die hem kon horen. ``Hm, ik denk dat je wel bij Varishin in de smaak zult vallen, markies. Brutale mensen hebben de halve wereld, en net als jij gaat Varishin er van uit dat dat nog lang niet genoeg is. Waar heb je al die scheldwoorden geleerd?'' Garth kreeg geen gelegenheid om antwoord te geven want Fozz sprong overeind en keek nu verbijsterd naar een voertuig dat hun wagen naderde. ``Wat is dat in hemelsnaam?'' Een sissend, stampend stalen monster reed achteruit naar ze toe. Garth grinnikte. ``Ik heb ook nog nooit zoiets gezien, maar ik denk dat Varishin al begonnen is om de vooruitgang op Marras in werking te zetten. Het ziet er naar uit dat op Marras het stoomtijdperk is ingetreden. Dat, Fozz, is een soort primitieve stoomlocomobiel, of ik moet me al sterk vergissen. Ik leg het je later wel uit. Zorg nu maar dat er een draadje vastkomt, ik denk dat ze ons willen slepen.'' Fozz verdween naar de boeg om orders te geven. Met behulp van de lawaaiïge stoomwagen lagen ze al gauw gemeerd aan een kade binnen de stadsmuren. Een kruiperige havenmeester verwees de markies en zijn gevolg naar een kantoor van de keizerlijke garde, waar ze zich konden inschrijven op de audiëntielijst. ``Zorg jij ervoor dat de mannen nog aan boord blijven, Fozz. Ik neem aan dat we de Floharr wel ergens kunnen onderbrengen waar het veilig is, maar voorlopig vertrouw ik de boel hier niet. Die gardisten zijn natuurlijk allemaal zo corrupt als de pest. Ik ga eens een babbeltje maken in dat kantoor waar de havenmeester het over had.'' Garth kuierde weg, tevreden met zijn rol. Hij had altijd al het liefst voor hoge piet gespeeld.

``Het spijt me, markies, er zijn veel mensen die de keizer willen spreken. Ik zet U op de wachtlijst en dan krijgt U vanzelf bericht. Dat kan een week of drie duren. Ik kan U een uitstekende herberg aanbevelen...'' Garth rammelde luchtig met een zakje goudstukken. ``Intussen kunt U natuurlijk deelnemen aan het hofleven, heer. Ik zal wat passen voor U regelen, en onderdak voor U en Uw gevolg.'' Handig ving de officier het goud op. Hij kreeg kennelijk wel vaker edellieden in zijn kantoor die de kant van keizer Varishin wilden kiezen. ``Het spijt me werkelijk heer... aan de audiëntielijst kan ik niets doen. Dat kost me m'n nek - het is druk in Amarra weet U.'' Garth liep naar de deur. ``Ik weet dat je je best zult doen, m'n beste man.'' Hij rinkelde nog even met een tweede hoeveelheid goud en stapte toen naar buiten. ``Wel, wat doen we nu? Een wachtlijst van drie weken... en wat wilde je eigenlijk bij de keizer bereiken?'' Fozz had zich er helemaal bij neergelegd dat Garth, de buitenwerelder nu de leiding had. Ze wandelden samen door de drukke straten van Amarra. ``Weet je, ik heb eigenlijk nog geen flauw idee. M'n opdracht is: informatie verzamelen, en het hof van Varishin leek me een goede plek voor zoiets. Jullie keizer moet een briljant strateeg zijn om in zo'n korte tijd heel Marras te veroveren, nietwaar? Daarnaast is hij ook een wetenschappelijk genie. Heb je me niet een keer verteld dat zijn legers gebruikmaakten van vuurspuwende metalen wapens? Beschaafde mensen noemen dat kanonnen. En nu weer die stoomwagens, ook nog nooit vertoond in dit theater. Ik zal je wat verklappen: niet alle buitenwerelders zijn zo aardig als ik. En ik heb het sterke vermoeden dat jouw keizer hulp heeft gekregen van een stelletje van die minder aardige buitenwerelders...'' Fozz keek bedenkelijk. ``Het lijkt wel of mijn wereld dus een slagveld aan het worden is waarop lui van de sterren hun oorlog komen uitvechten. Ik weet niet of ik dat wel zo leuk vind. En hoe weet ik dat jij aan onze kant staat?''

``Dat weet je niet. Maar je weet wel aan wiens kant ik zeker niet sta: die van Varishin. En nog wat... Varishin krijgt echt niets voor niets van die andere buitenwerelders! Ze moeten belang hebben bij iets op Marras. Als we weten wat dat is, zijn we een stuk verder.'' Ze waren nu op een brede boulevard beland, en de zon blakerde de straat. ``En hoewel het ons momenteel aan een plan ontbreekt om ons doel te bereiken is er altijd één ding wat een goed geheim agent in zo'n geval beslist doen moet.'' ``En wat mag dat zijn?'' Garth nam Fozz bij de arm en leidde hem naar een overdekt terras. ``Uitzoeken hoe het bier smaakt, m'n beste Fozz. Heel belangrijk!''

Hoofdstuk 4: Onder Amarra

Garth is, vermomd als markies Vilam van Wolmen, in Amarra beland. Maar ook in de hoofdstad van keizer Varishins rijk lijkt hij niet veel wijzer te worden...

De gloeiendhete middagzon van Marras liet haar stralen onbarmhartig neerkomen op de bonte verzameling militairen in de parade. Rij na rij geharnaste soldaten marcheerde moeizaam voorbij. Het publiek juichte telkens als er een flauwviel en rammelend tegen de keien smakte. Zonder een spier te verrekken stapten de anderen over de gevallenen heen en marcheerden verder. Een speciale legerafdeling was belast met het opruimen van de uitvallers die iedere kolonne achterliet. Uit de handigheid waarmee de mensen van de bezemploeg ieder gaatje in de parade benutten viel af te leiden dat het een veel voorkomend verschijnsel was tijdens militaire parades in Amarra, de hoofdstad van de barbaarse planeet Marras en zetel van de tirannieke keizer Varishin. Erg veel publiek was er trouwens niet naar de parade komen kijken. De terassen aan weerszijden van de boulevard zaten wel vol, maar dat was iedere dag het geval. Men had niet veel op met de keizer, hoewel de meeste mensen uit noodzaak trouw aan hem betoonden. Deze optochten waren bedoeld om duidelijk te maken dat trouw aan Varishin het verstandigste was. Er kon geen twijfel aan bestaan dat hij op deze planeet de lakens uitdeelde.

In de schaduw van een grote luifel zaten twee mannen het spectakel op hun gemak te bekijken. De grootste van de twee leek veel plezier aan de optocht te beleven. Eenmaal lachte hij goedkeurend toen een soldaat vlak voor hem in elkaar zakte. Hij hief zijn glas in de richting van de liggende gestalte, om te drinken op zijn gezondheid. De drinker was markies Villam van Wolmen, die samen met zijn adjudant en een paar handenvol soldaten sinds een week in de hoofdstad was. De markies wachtte op audiëntie bij de keizer, iets wat nog wel even kon duren; de keizer had het uiterst druk en er was een wachtlijst. De kleinere man stootte de markies aan. ``Kijk daar eens, Garth. Volgens mij komt daar de wagen van de keizer aan.'' Inderdaad verscheen nu omringd door soldaten, een enorme wagen. Even later was het ding ter hoogte van het terras. Een zware stoomwagen, puffend en krakend, rookwolken uitbrakend, met erbovenop een dikke, rijkgeklede man, geflankeerd door een aantal lijfwachten. ``Zo dus dat is onze geliefde keizer? Waarom heeft nog nooit iemand die papzak van z'n kar afgeschoten? Erg veilig zit hij daar niet, zo open en bloot.'' De grote man had zijn wenkbrouwen gefronst. Zijn metgezel zuchtte. ``Ik heb het gevraagd, het is al een aantal keren geprobeerd, Garth. Maar alle pijlen misten hun doel. Varishin wordt beschermd door de goden - of door de duivel, wat me waarschijnlijker lijkt.'' De keizer grijnsde en wuifde minzaam naar zijn onderdanen terwijl de gigantische stoomwagen verder pufte. Achter de wagen liep een afdeling militairen in goudkleurige uniformen. Ze droegen geen harnas, alleen een lichte helm. Ook wapens ontbraken. Ze hadden alleen een insigne op hun borst, een driehoek waarvan de beide alnge zijden naar binnen gekromd waren.

``Wat zijn dat voor lui?'' vroeg de markies. ``Geen idee. Zo'n uniform heb ik nog nooit gezien. Zeker weer een van Varishins nieuwe legeronderdelen. Vreemd, ze zijn niet gewapend.'' Schouderophalend richtte de adjudant zijn aandacht weer op de rest van de parade. De markies liet het onderwerp echter nog niet los. ``Dat insigne... dat komt me bekend voor. Ik weet zeker dat ik het al eens eerder gezien heb, Fozz. Toch eens over nadenken.'' Tijd om rustig na te denken kreeg hij niet, want plotseling werd de boulevard opgeschrikt door het geluid van een zware ontploffing, die even later werd gevolgd door een regen van zand en stenen. Garth en Fozz vlogen overeind om te zien wat er gebeurd was. Tweehonderd meter verderop zagen ze het wrak van Varishins stoomwagen. Soldaten renden in het rond, volkomen in paniek geraakt, officieren met bebloede uniformen gilden met overslaande stem bevelen. Het gebeuren werd door een groot deel door een snel oprijzend rookgordijn aan het oog onttrokken. Garth zag nog net de stoomwagen liggen, zwaar gehavend, op zijn kant, half weggezakt in de grond. De houten opbouw was verdwenen - net als de keizer. ``De weg! Ze hebben de weg ondermijnd!'' schreeuwde Fozz boven het lawaai uit. ``Kom mee, we moeten hem smeren. Ze zullen daders gaan zoeken en je hebt kans dat iedereen die ook maar een klein beetje verdacht is gearresteerd wordt!'' Hij probeerde Garth met zich mee te trekken, maar die was juist van plan om op het tumult af te gaan. Het lawaai en de paniek waren overweldigend.

Garth werkte zich met zijn ellebogen door de menigte, met Fozz schouderophalend in zijn kielzog. Hij kwam net op tijd bij de bron van alle opwinding om keizer Varishin woedend in een diepe kuil te zien staan. Rebellen hadden de weg kennelijk ondermijnd op een plek waar er een groot riool onderdoor liep. De stank was onbeschrijflijk. Briesend van woede, vernederd tot in het diepst van zijn wezen stond de keizer tussen de stukken metselwerk. Hij had zelfs geen schrammetje opgelopen; zijn wagen was totaal verwoest. Garth duwde een paar soldaten opzij, boog zich naar de kuil en vroeg ``Kan ik U helpen, hoogheid?'' De keizer gromde gevaarlijk. Met een sprong was Garth in de kuil. Het spetterde wat.

``Markies Villam van Wolmen, om U te dienen.'' En de daad bij het woord voegend ging hij met z'n rug tegen de kuilwand staan, de handen uitnodigend in elkaar gevouwen. De keizer begreep de bedoeling en stapte op Garth's handen, waarna Garth hem naar boven duwde. Zodra de keizer hem aanraakte voelde Garth wat hij had verwacht: een tinteling, alsof Varishin bedekt was met een laagje ijs: hij droeg een persoonlijk krachtveld voor zijn bescherming. Een vreemd stukje techniek voor een planeet die zo achterlijk was als Marras... Fozz was inmiddels zo voorkomend geweest om een stevige speer te vorderen, die hij de keizer als houvast toestak. Varishin ontzag z'n helper niet - zonder medelijden kwamen de zware gelaarsde voeten op Garth's schouders en hoofd terecht. Even later was Garth zelf ook uit de kuil geklommen. Fozz bleek erin geslaagd te zijn de officieren bij hem in de buurt af te bluffen, want zonder veel aarzeling volgden ze zijn bevelen op. De jonge baron had al snel begrepen wat Garths bedoeling was. Ze begeleidden de keizer naar een stoomwagen die Fozz had laten vorderen, en alsof het de gewoonste zaak van de wereld was stapten ze naast de dictator in. Garth hing naar buiten en gaf opdracht om de weg vrij te maken, waarna de wagen zich sissend in beweging zette. ``Oh, momentje nog - iets belangrijks vergeten!'' Het stoommonster begon net op snelheid te komen toen Garth naar buiten sprong. Een tel later klom hij weer naar binnen, met een grote fles wijn in z'n hand. Hij trok de kurk eraf en gaf hem aan de keizer, die goedkeurend gromde. In een teug verdween de helft van de inhoud. Garth grinnikte onhoorbaar. Hij wist dat hij bij de keizer voorlopig geen kwaad meer kon doen.

Een week later hadden Garth en Fozz zich gerieflijk geïnstalleerd in het paleis. Garth's innemende persoonlijkheid had hem hoog op de favorietenlijst bij de keizer gebracht. Fozz liet zich diep in de kussens van een rustbank vallen en zuchtte. ``Nou, we zitten hier goed voorlopig, Garth. Heb jij nog iets ontdekt buiten het feit dat Varishin een goede kok heeft?'' Garth hield op met ijsberen. Hij had de afgelopen week zijn ogen flink de kost gegeven en een paar dingen met elkaar in verband gebracht. ``Ja. Amarra. De oudste stad op Marras, nietwaar? Bronnen die op magische wijze nooit opdrogen. Dit paleis, waarvan de bouwstijl heel anders is dan alles wat ik op deze planeet gezien heb. Dat insigne van die militairen in de parade. Ik zei toch dat ik dat ergens van kende: ik weet nu waarvan.'' Hij kwam vlak voor Fozz staan. ``Fozz, zijn er op jou wereld ook verhalen bekend over de Ouden? Een machtige beschaving van heel lang geleden?'' Fozz knikte. ``Maar het zijn allemaal sprookjes, verder niets.'' ``Sprookjes zijn het niet! De Ouden hebben bestaan, en niet alleen op Marras. Eens was er een mensenras dat heerste over de hele Melkweg, meer sterren dan je je kunt voorstellen. Een enorme oorlog maakte een einde aan hun beschaving. Hier en daar zijn de overblijfselen van hun grootheid nog te vinden. Amarra is zo'n overblijfsel - of liever gezegd, datgene wat ik onder Amarra hoop te vinden. Dit paleis... als je de tussenverdiepingen wegdenkt, en alle binnenmuren, dan hou je een grote vierkante hal over, met volmaakt rechte wanden. Is die afwijkende bouwstijl je niet opgevallen?'' Fozz haalde z'n schouders op. ``Het paleis is ouder dan de rest. Misschien bouwden ze vroeger anders.'' Garth lachte. ``Nou en of ze dat deden. Maar dan wel duizend jaar geleden. Het paleis is het enige deel van een basis van de Ouden dat boven de grond uitsteekt. Ergens in het paleis moet een ingang zijn naar de rest, Fozz. En die ingang moeten we vinden, want ik vermoed dat Varishin, of de buitenwerelders die hem helpen, een deel van die basis weer in gebruik genomen heeft. Het insigne op de uniformen. Dat herkende ik uit het museum - het was het teken dat door de Ouden gebruikt werd door hun ruimtevloot.''

Plotseling werd de deur van de kamer opengesmeten. Een stel soldaten van Varishin kwam binnengerend. Garth sprong op ze af. ``Wie geeft jullie het recht - '' Achter de soldaten verscheen keizer Varishin. ``Ik geef ze het recht, markies.'' Varishin gaf zijn mannen een wenk. Ze stelden zich langs de muren op. ``Er is een interessante bezoeker gekomen, iemand die me een grappig verhaal vertelde. Er blijken twee markiezen Villam van Wolmen te zijn, en dat is er eentje te veel volgens de regels...'' Een lange, in het zwart geklede man stapte door de deuropening. Hij liep door tot hij vlak voor Garth en Fozz stond. Langzaam schoof hij zijn grote hoed naar achteren zodat z'n gezicht herkenbaar werd. Garth kreunde. Voor hem stond de echte markies Villam, degene die ze in de woestijn als slaaf hadden verkocht. ``Hallo Villam. Beviel het slavenbestaan niet?'' De echte markies gromde. ``Voor die vernedering, bedrieger, zal ik je langzaam villen.'' Hij trok aan een lus aan zijn gordel, en een lang, buigzaam rapier dat om zijn rug gekromd had gezeten sprong als een losschietende veer in zijn wachtende hand. Garth stond plotseling tegenover drie meter staal, scherp als een degen maar buigzaam als een zweep. En de markies leek er mee om te kunnen gaan. Langzaam week Garth achteruit. Terwijl hij z'n zwaard trok keek hij even naar de keizer. Van die kant zou hij geen hulp hoeven te verwachten. Varishin verheugde zich op een duel; wie er won interesseerde hem totaal niet. Fozz kon ook geen hulp bieden want die was ongewapend. Hij zou het in z'n eentje moeten doen. De markies lachte voluit. Hij wist dat z'n tegenstander geen schijn van kans had.

Verbeten weerde Garth zich tegen de aanvallen van de markies. Het lange staal kwispelde om hem heen, floot langs zijn hoofd, kronkelde zich om zijn eigen, plotseling belachelijk korte zwaard. Al na enkele ogenblikken had hij een paar lelijke schrammen te pakken op de plaatsen waar het rapier, afglijdend langs zijn eigen zwaard, zijn lichaam geraakt had. Dit kon niet lang goed gaan, dat stond vast. Traag bloed kroop over zijn hand, maakte zijn greep op het zwaard glibberig. ``Nu heb je niks meer te zeggen, eh, rat?'' grijnsde de markies. Garth week achteruit tot hij met zijn rug tegen de muur stond. Gedienstig gingen de gardisten voor hem uit de weg. Met een blik van triomf haalde de markies zijn wapen achteruit voor een vernietigende slag. Garth voelde een stoel en pakte die op. Net op tijd. Het staal siste op hem af, maar werd afgeweerd door de stoel. De punt gleed zonder moeite door de dikke houten zitting heen en raakte Garth in de schouder. Maar het was geen gevaarlijke wond. Hij draaide de stoel een halve slag, zodat het rapier van zijn belager bleef steken, krom ging staan. Woedend rukte de markies eraan, maar Garth greep intussen zijn kans. Hij zwaaide de stoel van zich af en dook naar de markies. De knop van zijn zwaard beukte tegen diens hoofd. Even later hield Garth de markies stevig tegen zich aan, met het scherp van zijn zwaard langs de keel van de edelman. ``Achteruit allemaal, of Wolmen moet een nieuwe markies zoeken!'' schreeuwde hij naar de soldaten die op hem afkwamen. ``Fozz, kom mee, we gaan.'' Met de markies als een schild voor zich uit houdend schoof hij naar de uitgang. Ze waren al in de deuropening toen Varishin besloot dat het leven van de markies hem niets kon schelen. Hij brulde een bevel naar zijn mannen. Garth duwde de markies terug en rende met Fozz als een haas de gang in. Zonder veel problemen bereikten ze de binnenplaats. Daar stond een stoomwagen te wachten op de een of andere edelman. Zonder treuzelen werd de machinist overboord gewerkt, waarna Garth het ding in beweging zette. ``Weet jij hoe je met die dingen om moet gaan, Garth?'' schreeuwde Fozz. Garth gaf geen antwoord, maar draaide verwoed aan kleppen en wielen. Puffend begon het logge gevaarte snelheid te maken. Nu stormden er soldaten naar buiten. Tergend langzaam kroop de stoomwagen op de poort af. Iemand was op het idee gekomen om de deuren dicht te doen, maar dat hield de vluchtelingen niet tegen. Krakend werd de houten poort uit z'n hengsels geramd. ``Waar nu naar toe?'' vroeg Fozz toen ze het paleis achter zich lieten en de stad inreden. Er kwamen inmiddels gardisten te paard achter ze aan. ``Een put! We moeten naar een van die beroemde waterputten van Amarra! Welke kant op, Fozz?'' Garth probeerde nog meer snelheid te maken. ``Rechtuit, een paar straten. Heb je soms dorst gekregen van het gevecht?'' De stoomwagen denderde door de straten van het in avondlijke rust verzonken Amarra. Fozz stond wijdbeens achterop en zwaaide met zijn zwaard naar iedere ruiter die binnen zijn bereik kwam. ``Kun je nog wat harder? Vroeg of laat loopt dit verkeerd af!'' schreeuwde hij. Tegelijkertijd haalde hij uit naar een Gardist die probeerde van zijn paard op de wagen over te springen. Garth ging op zoek naar een stoomfluit. Hij had een late markt in het oog gekregen en reed daar nu op af. De fluit gilde. Angstig brullend sprongen mensen opzij toen de zware wagen zich een weg baande door het smalle straatje. Kramen werden omvergeworpen, versplinterd en platgewalst. Fruit rolde over de grond en werd tot moes vermalen. De wagen werd er niet door afgeremd; de ruiters wel. Garth stuurde de wagen recht op een dikke paal af die een grote luifel omhoog hield. De paal brak als een lucifershoutje en donderend kwam de hele boel naar beneden. Garth vroeg aan Fozz waar ze naartoe moesten. Fozz zei niets maar wees vooruit met een somber gezicht. Verbaast keek Garth eens wat verder om zich heen om te ontdekken dat de straat doodliep. Ze kwamen op een aan alle kanten door muren omsloten binnenplaats terecht. Maar Garth was vast van plan om z'n ontsnapping niet door zulke kleinigheden te laten mislukken. ``Goed, dan gaan we terug. Kijken of er nog iets overeind staat.'' Met volle snelheid maakte hij een grote bocht en denderde weer op het smalle marktstraatje af. Kooplieden waren net bezig de restanten van hun waar bij elkaar te rapen toen het onheilspellende geluid van de stoomfluit opnieuw klonk. ``Fozz, sla jij met je zwaard eens een paar keer op dat ding daar.'' Garth wees op het veiligheidsventiel op de stoomketel. Fozz deed wat hem gevraagd werd terwijl Garth de stoomdruk nog verder opvoerde. Het einde van het straatje kwam weer in zicht.

Over de breedte ervan stond een rij ruiters opgesteld. ``En ik geloof dat het nu tijd wordt om naar een ander vervoermiddel uit te gaan kijken, beste Fozz.'' Fozz legde zich bij de krankzinnige handelingen van zijn kameraad neer. Zonder eerst snelheid te minderen doken ze van de loeiende stoomwagen af. Terwijl ze een goed heenkomen zochten raasde de wagen door de rij ruiters, boorde zich in een muur en ontplofte. De rookontwikkeling was geweldig. ``Rennen, Fozz, Voorlopig hebben onze achtervolgers andere dingen an hun hoofd. Naar de waterput!'' ``En nu?'' vroeg Fozz toen ze even later hijgend voor de put stonden. ``We gaan een stukje zwemmen, Fozz. Naar beneden.'' Garth lachte vrolijk, maar in werkelijkheid was hij niet zo zeker van zichzelf. Het was een gok, en geen beste.

De put was breed, zeker een meter of zes. Toch konden ze in het donker het water onderin niet zien. Garth haakte de grote kuip los die gebruikt werd om het water op te halen en duidde Fozz dat hij zich er aan vast moest houden. Hij gooide de rem van de slinger en liet Fozz zakken zo snel hij durfde. De put was minstens vijftien meter diep. De achtervolgers kwamen nu het pleintje opgestormd en Garth liet de slinger los. Met een grote plons kwam de kuip in het water terecht. Hij greep het touw en liet zich er snel langs naar beneden glijden. Het deed pijn. ``En nu, idioot?'' sputterde Fozz toen ze naast elkaar in het water dobberden. ``Heel diep ademhalen, zo diep als je kunt. We gaan duiken. Er moet ergens een ingang zijn. Zorg dat je me niet kwijtraakt. Succes.'' Garth zoog zijn longen vol en dook onder. Het laatste wat hij zag waren een paar verbaasde soldatenhoofden die over de putrand hingen. Zijn handen gleden zoekend langs de wanden van de put. Hij zwom in trage cirkels naar beneden, steeds dieper, zoekend naar een oneffenheid. Over zijn lucht maakte hij zich voorlopig nog geen zorgen, maar hij was wel bang dat Fozz het moeilijk zou krijgen. Garth was getraind in ademhalingstechnieken; Fozz kon vermoedelijk nauwelijks zwemmen. Verbeten zocht hij verder. Anderhalve minuut waren ze nu zeker onder water. Fozz moest het benauwd hebben... daar! Een richel... de muur week terug. Hand over hand trok Garth zich de nis in. Zijn vingers voelden metaal. Een deur! Hij stond op een kier, en Garth duwde er tegen. Zonder veel moeite ging het ding verder open. Even later werd het water minder donker, en Garth begon omhoog te zwemmen. Groenig licht werd helderder boven zijn hoofd. Hij doorbrak de waterspiegel en zoog gretig nieuwe lucht in zijn longen.

``Waar zijn we in hemelsnam?'' vroeg Fozz toen hij weer een beetje op adem was gekomen. Hij was vrijwel bewusteloos toen Garth hem uit het water trok. ``We zijn,'' sprak Garth om zich heen kijkend, ``in een ruimtehaven die minstens duizend jaar oud is. Veel zal er niet meer van heel zijn, maar het licht brand in ieder geval nog; dat hebben de Ouden niet uitgedaan toen ze vertrokken. Ik heb geen flauw idee wat we hier zullen vinden, maar van een ding ben ik zeker: Varishin, en degenen die hem helpen, hebben deze basis ook ontdekt en zijn van plan om hem te gaan gebruiken voor hun duistere plannetjes.'' Terwijl hij z'n kleren begon uit te wringen keek Garth naar de tunnel waardoor ze naar binnen gezwommen waren. ``M'n excuses voor de nogal moeilijke manier waarop we hier zijn binnengekomen, Fozz. Ik gokte erop dat de magische putten van Amarra vol water staande lanceerkokers waren voor raketten, projectielen. De vorm kwam me bekend voor. Ik snap alleen niet hoe het komt dat alles hier onder water staat, maar daar komen we nog wel achter.'' Hij grinnikte. ``We zitten in het hol van de leeuw, Fozz. Een hol dat de leeuw heeft overgenomen van een veel grotere, veel sterkere leeuw, die helaas al duizend jaar dood is...''

Hoofdstuk 5: De Veteraan

Garth en Fozz zijn ontsnapt aan de soldaten van keizer Varishin. Ze zoeken nu hun weg door de verwoeste, ondergrondse basis van de Ouden. Dat is niet zo gemakkelijk...

``Dekken, Fozz!'' Garth slingerde de granaat naar de deur en liet zich vallen. Een explosie en een regen van plantenresten en puin waren het gevolg. ``Zo, die deur staat voorgoed open.'' Fozz klopte het stof van zijn kleren. Garth tuurde door het ontstane gat.
Ze zwierven nu twee weken rond in de vervallen en door de natuur opnieuw in bezit genomen ondergrondse stad van de Ouden. In de ruim duizend jaar sinds het ineenstorten van de vroegere beschaving was de basis vrijwel onherkenbaar veranderd. Veel gedeelten stonden onder water, water waarin algen en planten welig tierden, naast minder vredzame levensvormen. De meest afschuwelijke dieren hadden zich meester gemaakt van de lege gangen, hallen en liftkokers. Onder de groene lampen die al duizend jaar onafgebroken brandden had zich een rimboe gevormd die dodelijker was dan het dichtste oerwoud; de dood lag in alle hoeken op de loer. Eten konden Garth en Fozz alleen als ze erin slaagden om met hun zwaarden een aanvaller te doden die van plan was met hen z'n maal te doen. En dan bleek meestal dat het dier oneetbaar was. Hun grootste vondst tot nu toe was een verzameling handgranaten geweest; van die granaten maakten ze dankbaar gebruik om zich een weg te banen door ingestorte gangen en geblokkeerde deuren. Garth had verwacht dat, aangezien de basis voor een groot deel onder water stond, de bovenste verdiepingen het meest intact zouden zijn. Maar hij had ongelijk gekregen. De basis was zo volgestopt met schotten en deuren dat het water zich overal en op de meest onwaarschijnlijke plaatsen bevond. Daarom was het opblazen van deuren een riskante zaak; meer dan eens stond het water erachter tot aan het plafond. Het gevolg was op z'n gunstigst een nat pak. Toch leek het Garth haast onmogelijk dat geen enkel gedeelte van de machtige ondergrondse stad gespaard was gebleven en daarom zochten ze onvermoeibaar verder.

``Hmm, hier in ieder geval geen water. Maar ook geen licht. Eens kijken of we het gat wat groter kunnen maken; help me eens met dit stuk steen, Fozz.'' Samen maakten ze de opening wijd genoeg om er doorheen te kunnen kruipen. Bij het opflakkerende licht van een toorts die Fozz aanstak tuurden ze om zich heen. Een ruime hal, hoog, koepelvormig. Geen tekenen van verval. ``Mischien hebben we nu een keer geluk, Fozz. Eens kijken of ik ergens een lichtschakelaar kan vinden.'' Garth tastte de randen van de deuropening af. Zijn hand gleed langs een paar ribbels omhoog. Toen hij zijn arm weer liet zakken sprongen er plotseling lampen aan, die steeds feller gingen branden; toen zijn hand de onderste ribbels bereikt had werd het licht ondraaglijk fel. Vlug schoof hij zijn hand een stukje omhoog. De hal was nu zo verlicht dat het leek alsof een stralende zomerzon dwars door het dak naar binnen scheen. ``Dat doet een mens goed,'' zuchtte Fozz. ``Ik was al bang dat ik moest verhongeren in het donker.'' Garth speurde rond. ``Het lijkt wel een soort ziekenhuis. Die karretjes daar... met een beetje goede wil zou je ze voor brancards verslijten. En die muurshildering... dat rode kruis was vroeger als ik me niet vergis het teken voor ziekte. Kom Fozz, eens kijken wat er achter die deuren is.'' Garth liep op een rij deuren af tegen de verste wand. Fozz volgde hem, nadat hij de toorts had gedoofd.

Ze hadden een half uur rondgezworven door de vele kamers en zalen die overduidelijk een ziekenhuis vormden toen Garth Fozz hoorde brullen. ``Hee, Garth, kom eens kijken! Hier ligt... weetikveel. Kom eens kijken!'' Garth haastte zich terug naar de gang waar hij Fozz had achtergelaten. De jonge barbaar zou wel weer met uitpuilende ogen staan staren naar een automatische wandblikopener of iets dergelijks. Dat was nog het zwaarste geweest de afgelopen dagen, dacht Garth bij zichzelf. Keer op keer moest hij Fozz de meest simpele dingen uitleggen, van vuilvernietigers tot kunstlicht. In een van de kleinere kamers vond hij hem terug. Fozz stond gebogen over een grote cylinder die aan alle kanten was omringd door onherkenbare apparatuur. Hij wenkte Garth. ``Allemachtig. Hij ziet eruit alsof hij nog leeft!'' Garth keek en zag in de met stof bedekte doorzichtige cylinder een man liggen. Een grote, zware man. Kortgeknipt stekelhaar. Zware kaken. Een groene overall die op hoofd en handen na het hele lichaam bedekte. Dood als een pier natuurlijk, maar zo volmaakt geconserveerd dat het leek alsof hij elk moment overeind kon gaan zitten. ``Op de operatietafel overleden,'' zij Garth grimmig. ``Ik wou alleen dat dit een dierenhospitaal was geweest. Als hier nou een koe lag konden we hem tenminste nog opeten...'' Afgezien van het lichaam in de cylinder was de kamer vol leven. Lichtjes dansten over contrôlepanelen, hier en daar klonk een zacht gezoem.

Garth's aandacht werd getrokken door een grote rode knop op een instrumentenbord. Duizend jaar geleden had de knop achter een verzegeld luikje verborgen gezeten; nu stond het luik open en was de knop ingedrukt. ``Ziet er uit als een soort noodschakelaar. Misschien kun je hiermee de deuren sluiten en openen in geval van brand of zoiets. Ik kan me voorstellen dat iemand op deze knop heeft gedrukt toen de basis werd getroffen door welke ramp het ook was die alles hier verwoest heeft. Als ik er nog eens op druk heb je kans dat de deuren weer open gaan, en dat zou onze tocht een stuk makkelijker maken, nietwaar?'' Terwijl zijn vinger de knop indrukte zei Fozz: ``Je hebt ook kans dat de hele boel hier ook onder water komt te staan als alle deuren opengaan!'' Daar had Garth niet aan gedacht, maar het kwaad was al geschied; de knop was ingedrukt. Er gebeurde niets. ``Nou, dat weten we dan ook weer. Kom mee, Fozz. Zo'n ziekenhuis moet gewoon een keuken hebben, en in de operatiekamer vinden we hem vast niet.'' Hij stapte naar de deur. Maar Fozz volgde hem niet. Hij staarde naar de operatietafel waarop de bewegingloze figuur lag. De doorzichtige cylinder was langzaam aan het vervagen. Stof dwarrelde rond, en toen er even later niets meer van de cylinder te zien was sloeg de man op de tafel de ogen op. Hij slikte, gromde van diep onderuit z'n keel en zei: ``Nou, stelletje druiloren, gaan jullie me nog losmaken? Ik heb lang genoeg op m'n rug gelegen en dat plafond hier is ook niet om over naar huis te schrijven.'' Zijn hoofd kwam omhoog en hij liet zijn blik over Garth en Fozz glijden. ``Zeg, wat hebben jullie voor apepakjes aan? Is er soms een gekostumeerd feestje of zo? Welja, ga maar achter de zustertjes aan en laat ouwe Wally hier maar weg liggen rotten!'' Aan deze woorden voegde hij een stroom verwensingen toe die Garth voor het grootste deel niet kon verstaan. De man sprak de taal die ieder mens in de Melkweg sprak, maar duizend jaar kunnen zelfs aan een eenheidstaal veel veranderen, vooral als het op scheldwoorden aankomt.

Wat later was de man bevrijd van de klemmen die zijn lichaam op de tafel vasthielden en keek hij neer op zijn beide verlossers. Neer. Garth was bijna twee meter lang, maar hij moest omhoogkijken naar de reus die voor hem stond. Toch zag de kerel er niet echt gevaarlijk uit. Garth besloot dat hij een gezagwekkende indruk op de reus moest maken; tenslotte was dit een militaire basis. ``Naam?'' De grote man grinnikte. ``Ha, alsof jij dat niet weet, ouwe zieleklijper. Goed, jij moet je testjes natuurlijk doen.'' Grijnzend sprong hij in de houding en salueerde. ``Verkenner sergeant Walther Plannt, eerste eskader buitenwacht Terraanse strijdkrachten, basis 377487 Marras. Klaar voor eerste verlof naar de goeie ouwe aarde sinds anderhalf jaar - als U me tenminste genezen verklaart, sir.'' Hoewel hij dit had verwacht moest Garth toch even slikken. Dit was een van de Ouden!

Duizend jaar geleden was de hele Melkweg hun eigendom geweest en ze vonden het nog heel gewoon ook... tot een vloot vertegenwoordigers van een vreemd ras in een vernietigende klap een einde aan hun beschaving maakte. Duizend jaar lang had deze soldaat op de tafel gelegen, op een of andere manier beschermd door een techniek die verloren was gegaan samen met het grootste deel van de kennis van de Ouden, en nu stond hij op om zich te melden bij de dokters die hem wakker hadden gemaakt. Garth wist nog niet wat hij met hem aanmoest. De veteraan beschikte over een voorraad informatie die onschatbaar was, om te beginnen kende hij de basis natuurlijk op z'n duimpje... Maar hoe zou hij reageren als ze hem vertelden wat er werkelijk gebeurd was? Een beetje overwicht kon geen kwaad. ``Goed, verkenner, plaats rust. Je voelt je helemaal goed? Geen last van duizelingen, geen moeite met de oriëntatie? We zullen het eens proberen - ga eens zitten.'' Garth gaf een wenk aan Fozz dat die achter de reus moest blijven om hem in geval van nood te kunnen neerslaan. Garth had verwacht dat de reus op de tafel ging zitten, maar hij liep resoluut naar de wand, raakte een richel aan waarna een viertal stoelen en een lage tafel uit de vloer oprezen. ``Vindt U het goed dat ik wat te drinken neem, dok? Het lijkt wel of ik in geen eeuwen een bierje heb gehad.'' - ``Nee, ga je gang. Bestel voor ons ook wat,'' zei Garth, met moeite zijn gretigheid verbergend. De man drukte op een paar knoppen in het tafelblad. Drie glazen schoven omhoog. Hij zette zijn glas aan de mond en dronk het in een teug leeg - om het meteen weer uit te spuwen. ``Wat is dat voor bocht? Hoort dit soms bij de therapie, of licht het aan mij? Dit spul is niet te drinken!'' Garth bekeek het bier in zijn glas. Het had een ongezonde kleur. ``Geeft niet. Vertel eens, zijn er wapens hier?'' De reus keek achterdochtig beurtelings van z'n glas naar Garth. ``Jullie bedenken ook de gekste dingen om het een eenvoudig soldaat lastig te maken, niet? Smerig bier...'' Hij rook aan het glas van Fozz en nam er een slokje van. Het scheen hem niet veel beter te bevallen.

``Goed, laat ons maar eens wat wapens zien, soldaat.'' De man stond op en liep naar een andere kant van het vertrek. ``Noem me geen soldaat, ik ben sergeant, stelletje... sir. Hier.'' Een paneel gleed omhoog en onthulde een kast vol vreemdgevormde handwapens. Garth liep er naartoe. ``Zijn ze in orde?'' De reus pakte er een, haalde het met geoefende handen uit elkaar, zette het weer in elkaar en gaf het aan Garth. ``Piekfijn, sir. Kan ook niks aan mis gaan, aan die dingen. Maar daar hebt U ntuurlijk geen verstand van... ik snap ook niet waarom jullie zieleknijpers zonodig bewapend moesten worden... sorry sir.'' Garth pakte nog een handwapen uit de kast en maakte een gebaar dat de reus het luik moest sluiten. Garth liep terug naar de stoelen en gaf een van de wapens aan Fozz. Nu hij een energiewapen in de hand had durfde hij de waarheid wel aan de man uit het verleden te vertellen. ``Mooi, ga maar eens rustig zitten, sergeant. Ik heb een nogal vervelend verhaal voor je.''

``Goed jongens, noem me maar Wally. Niemand in deze basis een hogere rang? Mooi, dan heb ik de leiding. Iemand nog een biertje?'' Het was twee uur later en Wally, de trouwe soldaat van een leger dat duizend jaar geleden had opgehouden te bestaan was dronken. Garth kon het hem beslist niet kwalijk nemen. Het is geen leuk idee om te horen dat de hele wereld zoals jij die gekend hebt verdwenen is, bijna totaal vergeten. Wally was een fossiel, een levend fossiel. Maar voorlopig was hij nog op bekend terrein. ``Liever niet, Wally. Er mankeert wat aan dat bier. Ik denk dat een of ander betanddeel ontbreekt. De hele boel hier doet het niet meer zo best, dat begrijp je wel. Maar we kunnen wat te eten proberen, Fozz en ik zijn uitgehongerd.''

``Dus het grootste deel van de basis is naar de mollen, hè? Nou, we zullen eens kijken wat er nog van over is. Kom mee, jullie.'' Hij liep voor ze uit door de gangen. ``Weet je, als jullie me niet wakker hadden gemaakt dan lag ik aan het einde der tijden nog steeds in dat verrotte stasisveld. Die aanval waar jullie het over hadden moet gekomen zijn net op het moment dat ik op de tafel lag; de doktoren zijn naar hun schuilplaatsen gerend en omdat ik niet meekon hebben ze het stasisveld aangezet, die laffe hazen. Prima iets hoor, zo'n stasisveld - maar in je eentje kom je er nooit meer uit. Eens kijken, hier is de keuken. Wat willen de heren hebben, er staat...''

Fozz gaf een gil. Zijn been was gegrepen door een metalen monster, ongeveer ter grootte van een flinke hond. Met verbazende koppigheid en kracht begon het ding Fozz met zich mee te slepen. Garth richtte zijn wapen om te schieten. Ze hadden al eerder dergelijke dingen ontmoet, en eenmaal was Garth meegesleept tot de robot bij een luik stond dat hij niet open kon krijgen. Waarschijnlijk was het in vroeger tijden een vuilstortkoker geweest. Garth's vinger kromde zich om de trekker. Toen werd zijn arm omhooggeslagen. ``Niet schieten, maat. We mogen Fikkie geen kwaad doen!'' Wally stapte op Fozz en de robot af. ``Hee, Fikkie, Fozzie niet opruimen hoor. Hij is wel een beetje vuil, maar het is een vriendje, okee?'' De robot stond stil. Een luikje gleed open en een gelede arm kwam naar buiten. De arm besnuffelde Wally even en liet daarna meteen Fozz los. De arm schoot terug, het luikje klapte dicht en de robot liep naar de wand om daar, naar het leek berouwvol, te gaan staan wachten. Wally lachte naar de geschrokken Fozz. ``Het is een opruimertje, en omdat jullie niet in z'n geheugen zitten behandelt hij jullie als oud vuil. Zolang ik erbij ben is er niks aan de hand. Mischien kan hij zich nog wel nuttig maken voor ons. Hee, Fikkie. Ga es een paar van je broertjes halen? Alle soorten, zolang ze hier naar binnen kunnen, okee? Over een uur terug.'' De robot schoot weg, en het leek even of hij kwispelde. Wally rommelde wat met knoppen en even later verschenen op een tafel dampende schotels. ``En nu gaan we eten. Ouwe Wally heeft ook honger gekregen.''

Het eten was al lang verdwenen toen er een luid gerammel klonk in de gang. Wat er toen om de hoek kwam deed Fozz verschrikt opspringen uit zijn stoel. Een bonte stoet oud roest, met Fikkie trots voorop kwam voor Wally tot stilstand. Er zat een viertal opruimers zoals Fikkie bij, maar Garth zag ook robots van afwijkende modellen. Een paar hele kleintjes, net ratten, schoten direct onder de tafel om gevallen kruimels te verwijderen. De rest stond stil, te wachten op instructies. Wally liep om de verzameling heen, keek toen vergenoegd en haalde een bol op wieletjes uit de rij. ``Ah, ik hoopte al dat Fikkie een wat slimmer familielid zou meebrengen.'' Hij wenkte de bol en ging weer zitten. ``Sergeant Walther Plannt, tot nader order bevelvoerend officier verzoekt om een overzicht van de conditie waarin de basis verkeert. Rapport.'' Op de bol begonnen lichtjes te knipperen en het ding maakte gorgelende geluiden. Verder gebeurde er niets. ``Kapot. Ik denk dat zijn spraakcentrum naar de knoppen is. Goed, breng ons naar de dichtsbijzijnde commandopost.'' De bol draaide gretig om zijn as, begon te rijden en viel toen om. ``Er mankeert ook wat aan de voortbeweging. De opwinding is 'm vast teveel geworden. Mooie rotzooi. Jij daar.'' De veteraan wees naar een logge, vierkante robot die aan alle kanten geblutst en geblakerd was. ``Draag je vriendje. Hij wijst de weg. De rest volgt ons.'' En de robots, die voor het eerst in duizend jaar een nieuwe opdracht kregen, schoven mechanisch juichend de deur uit.

Vrolijk fluitend slenterde Wally door de overwoekerde gangen, met de rammelende robots en zijn beide redders op z'n hielen. Het verlies van zijn wereld leek niet in staat om zijn goede humeur te bederven. Met een handgebaar opende hij deuren die Garth en Fozz zelfs niet konden opblazen; hij voelde zich thuis. Ze kwamen tot stilstand voor een trapgat dat naar een volledig onder water staande verdieping leidde. ``De biolabs, hierbeneden. Ze zijn hem natuurlijk gesmeerd terwijl hun apparatuur aan bleef staan en hun experimenten doorgingen... hier komt al dat water vandaan, en ook die...'' Zijn wapen verbrandde een monster met veel tanden dat rondzwom onder hen. ``...rotbeesten!'' Vloekend zocht Wally andere wegen, met behulp van de bolvormige robot. Een paar maal maakten ze gebruik van liften, die Garth in de afgelopen weken nooit als zodanig herkend had. Geleidelijk werden de verwoestingen minder. In een uur zagen Garth en Fozz meer van de basis dan in de twee weken die ze er nu al in hadden doorgebracht.

``Heb jij eigenlijk iets meegemaakt van de oorlog tegen de indringers, Wally?'' Garth hoopte op een ooggetuigenverslag van die legendarische ramp, vele eeuwen geleden. Historisch materiaal was vrijwel niet bewaard gebleven uit die tijd; veel interesse was er ook niet voor geweest in die eerste paar honderd jaar na de grote verwoesting. Overleven was toen het wachtwoord. Wally keek op en haalde zijn schouders op. ``Niks. Op een dag vielen de verbindingen met de meeste bases uit, er waren geruchten over aliens en toen moest ik gekeurd worden voor m'n verlof. Ik lag op de tafel, de sirenes begonnen te loeien - daarna maakten julie me wakker.'' Hij lachte. ``Jullie weten er waarschijnlijk meer van af dan ik. Kom, ik zie daar een lift die ons een eind naar beneden kan brengen als hij nog werkt.''

``Tjee, wat een puinhoop zeg.'' Fozz zat naast Wally aan een controlepaneel en liet schaderapporten over het beeldscherm glijden. Na een korte uitleg van Wally had hij geleerd hoe hij de computer moest bedienen en nu scheen hij er plezier in te hebben. De bol op wielen had ze naar een noodcommandopost gebracht op de onderste verdieping. Via de computer namen ze nu contact op met andere posten verspreid door de hele basis. De meeste antwoordden helemaal niet. Na het tikken van de oproepcode bleef het scherm zwart. De posten die wel antwoord gaven konden alleen nullen laten zien. Energiereserve: nul. Gevechtssterkte: nul. Mobiele eenheden: nul. En zo ging het maar door; schaderapporten vroegen ze na een paar keer niet meer, dat duurde te lang. Wally kreeg er genoeg van en stond op. ``Laten we het bijltje er maar bij neergooien, Fozzie. Heb je nog niet genoeg van alle ellende?'' Fozz bleef echter over het beeldscherm gebogen. ``Stil eens, ik heb hier een rapport...'' Razendsnel flitsten letters en cijfers over het scherm. Het was geen schaderapport...

  post 861: onbemand. post overgenomen door indringers.
  computerfuncties  onbeschadigd.  uitvoerende functies
  door indringers ontkoppeld. de volgende  installaties
  zijn door indringers in gebruik genomen:

Er volgde een lange lijst getallen. Wally gromde. ``Dat is de ruimtehaven! En die getallen van drie cijfers zijn ruimteschepen! Vraag eens of je beeld kunt krijgen.'' Fozz liet zijn vingers over een rij lichtjes glijden. Beeldschermen kwamen tot leven. Een camera, bevestigd aan het plafond van een enorme hal gaf een overzicht van basis 861. Tientallen, misschien wel honderden ruimteschepen stonden er naast elkaar. En in de reusachtige ruimte krioelde het van de mannen in goudkleurige uniformen. Hetzelfde uniform dat Garth aan de oppervlakte van de planeet had gezien - het waren soldaten van keizer Varishin.

``Hee, die lui dragen ons uniform!!'' Wally staarde woedend naar het scherm. Garth antwoorde peinzend. ``Ja, Varishin heeft de basis ontdekt en bereidt nu kennelijk een ruimteoorlog voor - met hulp van buitenwereldse technici. Ik heb zo'n idee dat hij onder z'n volgelingen de legende van de Ouden nieuw leven heeft ingeblazen, waarschijnlijk is hij van plan om op historische gronden aanspraak te maken op de rest van de Melkweg.'' Garth ging zitten en legde zijn benen op een instrumentenbord. ``Mijn opdracht zit erop. Ik weet nu wat er op deze planeet aan de hand is, en ik moet zo snel mogelijk rapporteren aan de ComPol. Misschien kunnen zij Varishins nog tegenhouden voor het te laat is...''

Wally wees naar het beeldscherm. ``Ouwe Wally wil hier ook wel weg. Hoe komen we hier weg? Met een ruimteschip. En waar zijn de ruimteschepen? Daar.'' Hij sloeg Garth op de schouder. ``Wally gaat een ruimteschip wegkapen onder de neus van die sukkels vandaan, en jullie, m'n vriendjes, m'n redders mogen mee!''

Garth masseerde z'n schouder en zag hoe Fozz bezig was met de computer. De jongen had gevoel voor techniek, dat was duidelijk. ``Vijftien kilometer naar de ruimtehaven, en de computer zoekt een veilige weg voor ons!'' riep hij triomfantelijk. Garth lachte somber. ``Goed, we gaan.''

Hoofdstuk 6: De Veroveraars

De tirannieke keizer Varishin bereidt een ruimteoorlog voor. Om die oorlog te voorkomen moet Garth ontsnappen van de planet Marras. Samen met de jonge rebel Fozz vlucht hij in de ruïnes van een eeuwenoude stad, gebouwd door een verdwenen beschaving. Daar ontdekken ze sergeant Walter Plannt, die, in leven gehouden door de wonderlijke techniek van de Ouden, sinds de val van de stad heeft geslapen.
Gedrieën besluiten ze een van Varishins ruimteschepen te stelen.

``Kortsnim? Gull hier. Garth is bij de ruimtehaven aangekomen.''
``Kijk eens aan. Vlot, maar ik had niks anders van Garth verwacht. Heb je hem al gevangen genomen?''
`Nee, ik vang het signaal van z'n zender op. Hij loopt met open ogen in de val. Alles gaat volgens plan, Kortsnim. Met een beetje geluk is de vloot van Varishin vanavond in de ruimte en ben ik onderweg naar huis.''
``Onderschat Garth niet, Gull. Hij is verdraaid uitgeslapen.''
``Binnenkort slaapt hij nog langer, Kortsnim: voor eeuwig. Tot ziens.''
``Ik denk het niet, Gull, maar evengoed succes.''
In zijn hoofdkwartier op de luchtloze maan van de planeet Marras zag Veelal Kortsnim, sectorchef van de ComPol, het beeldscherm langzaam vervagen. Hij glimlachte. Binnen enkele uren zou het barbaarse leger van keizer Varishin dood en verderf gaan zaaien in de naburige zonnestelsels, en binnen enkele dagen zou er een fors bedrag gestort worden op een geheime rekening als beloning voor Veelal Kortsnims diensten. In gedachten las hij het rapport nog eens na dat hij aan zijn superieuren ging sturen; hij zou de zaken zo voorstellen dat hem geen schuld trof. Misschien zat er zelfs promotie voor hem aan vast. Een mooie bonus.

Meer dan honderdduizend kilometer verder zat een ongeschoren en ongewassen trio gehurkt achter een stapel machineonderdelen fluisterend te overleggen. ``We moeten die bedieningspost overnemen. Van daaruit kunnen we de lanceerputten en de oppervlaktesluizen openen.'' Wally, de veteraan van het leger dat al duizend jaar verdwenen was, tuurde naar een uitstulping in de wand van de enorme ondergrondse hal waarin ze zich bevonden. Garth keek bedenkelijk.
``Maar als we die lanceerinrichting openen worden we toch meteen ontdekt? De bewakers geven ons vast niet de tijd om daarna nog eens in een schip te komen.'' Wally grinnikte en tikte op de bolle kop van de servicerobot die ze bij zich hadden. ``Daar hebben we Fikkie voor. Ik geef hem straks opdracht om vijf minuten na ons vertrek op de goeie knop te drukken in die post. Daar is ie nèt slim genoeg voor. Verder nog vragen? Dan gaan we!''
Garth keek naar de derde man van het gezelschap. ``Jij ook akkoord, Fozz?'' Baron Fozz Redkliff, de enige van de drie die op deze planeet geboren was knikte somber. De jongeman was de afgelopen dagen erg zwijgzaam geweest. Het verbaasde Garth niet: het verschil tussen de middeleeuwse wereld aan de oppervlakte van Marras en dit geheime fort vol technologische wonderen moest overweldigend zijn voor de jonge edelman. Zelfs Garth stond af en toe versteld. Alleen sergeant Wally voelde zich thuis als een vis in het water; hij hoorde thuis in dit overblijfsel uit het verre, fantastische verleden. Voor hem had de tijd letterlijk duizend jaar stilgestaan. Garth keek speurend om zich heen. ``Goed, we gaan.''

De gardisten in de post kregen geen tijd om alarm te slaan. Ze vielen bijna tegelijk met de gasgranaat op de vloer. Het resterende gas neutraliseerde zichzelf na enkele seconden. Wally stapte vrolijk over de slapende soldaten heen. ``Zo, dat is dat. Fozz, als jij de robot even duidelijk uitlegt wat hij doen moet dan zoek ik de goeie knoppen op.'' Garth liet zijn blik door de enorme hal glijden die nu ver onder hem lag. Rij na rij stonden de antieke, maar nog uiterst bruikbare ruimteschepen opgesteld. Hoewel veel lanceerkribben leeg waren bleef er toch een vloot van minstens honderdvijftig schepen over. Snelle verkenners, miniscule pendelschepen en enorme kruisers met een vervoerscapaciteit van honderden manschappen. Het moest keizer Varishin veel tijd en moeite gekost hebben om zijn barbaarse, ongeschoolde soldaten vertrouwd te maken met de bediening van deze ruimteschepen. Achter Garth bekeek Fozz de bedieningspanelen in de post. ``Is er een omroepinstallatie hier, Wally?'' De veteraan wees. ``Jawel, daar. Maar die hebben we niet nodig, Fozzie. Tenzij je natuurlijk Varishins soldaten wilt vertellen dat we hier zijn en wat we komen do - '' De zin bleef in Wally's keel steken. Garth doork naar zijn wapen dat hij tegen een instrumentenpaneel had gezet, maar hij was te laat. Een vuurstraal veranderde het ding in een hoop verwrongen metaal. ``Staanblijven allebei, geen beweging!'' Fozz hield zijn ploffer op Garth en Wally gericht. ``Sorry, maar het plan is veranderd. Denk niet dat ik een moment zal aarzelen om te schieten: persoonlijke gevoelens staan hier buiten. Wally, maak je koppel los en laat hem op de grond vallen, heel voorzichtig.'' Garth sabbelde op zijn geschroeide vingertoppen; hij had zijn wapen helaas bijna in handen gehad. ``Waarom, Fozz? Wil je op het laatste moment nog overlopen naar Varishin? Ik begrijp niet -''
``Het is heel eenvoudig, Garth. In het begin geloofde ik wat je me vertelde over de buitenwerelders. Dat ze het beste met ons op Marras voorhebben en ons alleen maar willen helpen. Maar ik weet nu beter. Wat gebeurt er als jij in zo'n ruimteschip verdwijnt om de ComPol waarvoor jij zegt te werken te waarschuwen? Je komt terug met een vloot, hakt het leger van Varishin in de pan, plundert deze basis waarvan je zelf hebt toegegeven dat ze geheimen bevat die zelfs jou volk niet kent, en verdwijnt weer. Wat schiet Marras ermee op? Niets! We zouden dezelfde achterlijke boerenpummels blijven die we nu zijn, terwijl deze geheime basis ons de kans geeft om in korte tijd een volwaardige, zelfstandige planeet te worden. Ik zou een verrader van m'n volk zijn als ik jou de boel hier braaf leeg liet stelen! Varishin is misschien een tiran, maar hij heeft wel begrepen dat onze wereld op deze manier kan meetellen, in plaats van geknecht te worden door almachtige lui van de sterren.'' Fozz maakte een dreigende beweging met zijn ploffer. ``Trouwens, jij bent de enige die me verteld heeft dat Varishin van plan is met deze ruimteschepen oorlog te gaan voeren. Ik wil graag zijn verhaal ook eens horen - en daarom ga ik nu de garde waarschuwen.''

``Dat is niet nodig, de garde is hier inmiddels.'' De deur was opengegleden. Een kleine, magere man stond in de opening, met achter zich een aantal soldaten. ``Goedemiddag, heren. Ik had de onbeleefdheid om een gedeelte van Uw conversatie af te luisteren...'' Zijn sluwe ogen gleden heen en weer. ``Ik begrijp dat een van de rebellen op het laatste moment nog verstandig geworden is. Dat zal keizer Varishin zeker plezier doen. Overigens, mijn naam is Gull, ik ben de persoonlijke raadsman van de keizer. Je woorden van daarnet waren juist jongeman, de keizer heeft het beste voor met Marras. En nu...'' De kleine man maakte bezwerende gebaren met zijn linkerhand. Vol ontzag deinsden de soldaten terug. Garth zag hoe Fozz en Wally langzaam in elkaar zakten.Terwijl hij zelf ook moeite kreeg om zijn ogen open te houden, ontdekte hij een kleine grijze cylinder in de rechterhand van de kleine man. Een sonische verdover. Dit moest een buitenwerelder zijn, net als Garth! Veel tijd om over zijn nieuwe kennis na te denken kreeg Garth niet. Grijnzend zag de raadsman van de keizer hem voorover vallen.

Garth kwam bij, en merkte dat hij niet gebonden was. Hij lag languit op een kille, gladde vloer. Toen hij zich kreunend omhoog gehesen had, keek hij recht in het gezicht van de raadsman, Gull. ``Hij is bijgekomen, heer. De ondervraging kan beginnen.'' Ontdanks zijn bonzende hoofdpijn keek Garth om zich heen. Hij stond in het midden van een grote zaal, omringd door soldaten van Varishin. De keizer zat een tiental meters verderop in een gemakkelijke stoel. Nu stond hij op en liep naar Garth toe. ``Ah, ik ken hem. Een tijdje geleden drong hij mijn paleis binnen en heb ik genoten van een schitterend, hoewel kort, gevecht. Hij heeft een boel schade aangericht, deze man. Je zegt dat hij een spion is, Gull? Wat jammer nou. Mensen met een beetje durf kan ik goed gebruiken. Goed, begin maar.'' De keizer liep terug naar zijn stoel. Zijn ronde gezicht vertoonde een luchtige, geamuseerde uitdrukking. Toch gloeide er een scherp, sinister verstand achter die goedmoedige kleine oogjes. Met een ernstig gezicht nam Gull het woord.

``Deze man is een spion van de buitenwerelders, heer. Een zeer sluwe en ervaren spion, teken dat de buitenwerelders grote argwaan beginnen te koesteren. Let nu op, hoe ik de waarheid uit hem wring. Geen mens kan liegen als hij met mijn magische krachten geconfronteerd wordt.'' Gull wees gebiedend naar Garth. ``Beken dat je een spion van de buitenwerelders bent!'' Garth stond te popelen om een fraai verhaal over zijn verarmde adelijke ouders, zijn wanhopige pogingen om opgenomen te worden in de roemrijke legioenen van de keizer, zijn ongelukkige jeugd en zijn slechte vrienden af te steken, maar bij de eerste leugenachtige zin vlamde er een ongelooflijke pijn door zijn rug en nek. Een ogenblik later kronkelde hij over de vloer. Gull lachte. ``Zie hoe hij worstelt om de waarheid te verbergen. Tevergeefs natuurlijk.'' Gull boog zich naar Gart. ``Beken dat je door de buitenwerelders gestuurd bent om onze ruimtevloot te saboteren!'' Opnieuw begon Garth ontkennend te antwoorden, maar zonder dat iemand hem aanraakte schoten de vlammen weer door zijn nek. Zijn hoofd bonsde en klopte, zijn armen en benen vertrokken door krampachtige spierbewegingen. De pijn was ondraaglijk, en Garth wist dat hij op den duur alles zou zeggen wat Gull wilde horen.

``Hee ouwe jongen, hoe is het met je? Ik dacht al dat je niet meer in het land der levenden verkeerde.'' Het grote, grijnzende gezicht van Wally danste voor Garth's ogen. ``Urghh. Wally. Ze hebben me een beetje gemangeld.'' Zuchtend kroop Garth overeind. ``Wat is er intussen met jullie gebeurt?'' Wally sloeg met zijn vuist op de wand van de kille cel. ``Niks. We werden wakker in dit hok. Wij waren kennelijk niet interessant voor dat boeventuig.''
Garth wreef zijn nek. ``Wees blij. Ik wou dat ik wat minder interessant was. En hoe is het nu met onze Fozz? Al spijt van z'n heldhaftige maar hoogst stupide daad?'' De jongeman zat zwijgend in een hoek van de cel, een koppige trek om zijn mond. Garth liet zich naast hem op de grond zakken. ``Ik zal je proberen uit te leggen hoe het zaakje in elkaar zit. Ik denk dat ik nu het grootste deel wel snap, hoewel het een beetje laat is om nog wat aan die kennis te hebben.''
Garth hield op omdat de deur was opengegaan. Daar stond Gull, een ploffer in de ene, een klein metalen kastje in de andere hand. ``Heel juist, beste vriend.
Maar kennis op zich is al een weldaad voor de geest, ook al kun je er niets mee doen. Daarom doet het me zoveel genoegen dat ik jullie verder kan verlichten - ik ben geen sadist, ik zou het niet kunnen verdragen als jullie brandend van nieuwsgierigheid in de hel zouden belanden. Zijn beminnelijke glimlach verbreedde zich. ``Ik zal jullie een verhaal vertellen. Het begint zo: er was eens een mijnbouw- en exploitatiemaatschappij die Expact heette. Een jaar of tien geleden zette die maatschappij haar gebruikelijke agenten af op een nieuw ontdekte planeet, Marras genaamd. Natuurlijk is dat verboden, maar goed, Expact doet het toch. Nu keerden die agenten, nadat ze hun onderzoekingen hadden uitgevoerd, zeer opgewonder terug met het bericht dat Marras een enorme voorraad bezat van een delfstof die llaz genoemd wordt, zeer zeldzaam en zeer kostbaar.
Bij verder onderzoek ontdekten ze een basis van de Ouden, diep onder de grond, in het midden van de vindplaats van de delfstof.
Marras was niet gewoon een goudmijn, het was een goudplaneet! Logisch dat Expact een manier zocht om die planeet onder haar beheer te krijgen. Jammer genoeg was Marras bewoond, en het is verboden om dergelijke planeten particulier te exploiteren.'' Gull grinnikte. ``Deze twee barbaren hebben er geen weet van, Garth, maar Marras is een van de rijkste werelden in het bekende heelal. Onder mijn bezieldende leiding ontstond er een plan om toch de exploitatierechten op Marras in bezit te krijgen. Met veel goud en een hoeveelheid nuttige wapens kreeg ik een plaatselijke pummel zover, dat hij in korte tijd de hele planeet onderwierp: Varishin. Tegenwoordig heet hij keizer, dank zij mij. Wederom met mijn hulp ``ontdekte'' hij de ondergrondse stad van de Ouden. Daarna kostte het me niet al te veel moeite om Varishin ervan te overtuigen dat de planeet Marras alléén niet genoeg is voor een heerser van zijn formaat...''

``De rest was simpel. Ik leerde Varishins soldaten hoe ze de apparatuur hier beneden moesten bedienen. Ik leidde piloten op, geen beste natuurlijk, maar goed genoeg om de ruimteschepen in de lucht te krijgen en ze daar een tijdje te houden. Varishin was klaar om een ruimteoorlog te beginnen!'' Glimlachend leunde Gull tegen de deur. ``En dat was de bedoeling. Op mijn aanwijzingen moest Varishin een aantal planeten verwoesten, waardeloze planeten natuurlijk, maar eigendom van Expact! Nadat dan Varishins vloot door de marine van de ComPol verslagen was, kon Expact herstelbetalingen gaan eisen voor de geleden schade. Bij gebrek aan iets beters zou men genoegen nemen met het exploitatierecht op Marras. Na enige tijd wordt de voorraad llaz gevonden: puur toeval natuurlijk. Jammer voor Marras, hadden ze maar niet oorlogszuchtig moeten zijn!'' De kleine man lachte gemeen toen Fozz opsprong om hem naar de keel te vliegen, en door Garth tegengehouden werd. ``Niet doen, Fozz. Je vergeet één ding, Gull: de ComPol is inmiddels argwanend geworden. Ze hebben mij niet voor niets hier naartoe gestuurd. En na mij zullen er meer volgen!'' Gull schudde meewarig het hoofd. ``Je begrijpt er nog niet veel van. Maar laat me verder praten. Op een zeker moment verloor ik een deel van mijn macht over Varishin. Hij bleek slimmer te zijn dan ik dacht, want hij wilde steeds wachten tot hij meer schepen had en meer geoefende manschappen voor hij de ruimte introk om aan zijn veroveringstocht te beginnen. Dat kon ik niet toestaan - hij zou nog echt gevaarlijk kunnen worden. Je moet namelijk weten dat de meeste schepen in de basis niet operationeel zijn. Een aantal kunnen we eenvoudig niet openkrijgen: ze zijn waarschijnlijk met een speciale code vergrendeld. Er moest iets gebeuren om Varishin tot spoed te dwingen. Daarom nam ik contact op met een goede vriend, die me in het verleden al eens diensten heeft bewezen, ene Veelal Kortsnim.'' Garth fronste zijn wenkbrouwen. Veelal Kortsnim was het hoofd van de ComPol, de man die hem als spion naar Marras had gestuurd. ``Precies, Garth. Kortsnim zit in het complot.
Ik had zo het idee dat een agent van de buitenwerelders die tot vlakbij Varishin door wist te dringen hem wel aan het schrikken zou maken. En aangezien alle gewone ComPol agenten in minder dan geen tijd door de garde onschadelijk gemaakt werden kwam Kortsnim met een zekere Will Garth op de proppen. Smokkelaar, avonturier, expert in het overleven. Precies degene die we nodig hadden.'' Gull keek op zijn horloge. ``En je hebt je taak tot dusver uitstekend gedaan, m'n complimenten. Maar we moeten nu gaan, je rol is nog niet uitgespeeld.'' Gull gebaarde dat ze voor hem uit moesten lopen. De deur opende zich.

Terwijl ze door de gangen liepen wees Gull op de hier en daar bewusteloos op de grond liggende wachtposten. ``Als klap op de vuurpijl moeten jullie natuurlijk ontsnappen, zodat Varishin wel verplicht is om jullie te achtervolgen. Ik heb de weg voor jullie spectaculaire uitbraak al vrijgemaakt. Vinden jullie me niet attent? Er staat ook al een schip klaar.''

Garth begreep de bedoeling. ``Zal wel een best schip zijn, Gull. Geen wapens aan boord, geen radio, alleen een goed verborgen tijdbom?'' Gull schaterde. ``geraden! Jammer eigenlijk, nu is de verrassing er af. Oh ja, er is nog iets: mijn goede vriend Kortsnim heeft er voor gezorgd dat je onder geen voorwaarde echt lastig voor mij zou kunnen worden. In je rug heeft hij opertief een zendertje ingebracht waardoor ik, binnen zekere afstand, altijd weet waar je bent. Net een geringd vogeltje, niet? Naast dat zendertje zit een piepklein instrumentje dat hij rechtstreeks op je ruggemerg heeft aangesloten. Daarmee kan ik - '' Gull drukte op een knop op het metalen kastje in zijn hand. Garth kromp in elkaar en viel op de grond. ``- je pijncentrum vrijwel direct prikkelen. Handig.''

Nadat Garth weer overeindgekrabbeld was ging de tocht verder. Ze bereikten de grote hal waarin de ruimteschepen stonden opgesteld. maanlicht scheen naar binnen op de plek waar een van de lanceerkokers was geopend. Een klein schip stond er onder, wachtend op haar bemanning. Wally liep voorop, handen op de rug, somber gebogen. In het voorbijgaan tikte hij achteloos tegen een van de kleinere ruimteschepen. Toen draaide hij zich om naar Gull. ``Kan ik niet alsnog bijtekenen voor de ruimtemarine van de keizer?'' grijnsde hij. ``Dit schip lijkt me wel wat.'' Gull maakte een ongeduldig gebaar met zijn wapen toen Wally zijn hand liefkozend langs de scheepshuid liet glijden. ``Doe geen moeite. Dit wordt je eerste en je laatste ruimtereis, kerel.'' Een zesde zintuig waarschuwde Gull. Net op het moment dat de geruisloos uit de zijkant van het schip vallende loopplank hem zou verpletteren sprong hij naar voren. Fozz, die hem ogenblikkelijk aanviel werd door een schot achterovergeworpen en viel op de grond. Naast Garth, want Gull had tegelijk met het schot op de knop van het kastje in z'n hand gedrukt. Wally was gedwongen om dekking te zoeken achter een poot van het landingsgestel. Gull was geen amateur. Langzaam liep hij om het schip heen, proberend Wally onder schot te krijgen. Maar hij had buiten de wilskracht van Garth gerekend. Want hoewel de gloeiende pijn hem bijna blind maakte, kroop hij langzaam op de magere man af. Alles danste voor Garth's ogen, iedere beweging kostte hem voor zijn gevoel jaren van zijn leven, maar tenslotte greep hij de arm die de ploffer vasthield. Ogenblikkelijk sprong Wally tevoorschijn en gaf Gull een enorme klap op zijn hoofd. De doos viel uit Gull's hand en meteen hield de pijn op. ``Naar binnen!'' brulde Wally. Garth raapte haastig de metalen doos op en sprong het schip in. Wally kwam achter hem aan, met Fozz over de schouder. ``Ik had eigenlijk Gull ook wel mee willen nemen, maar Fozzie leek me aardiger gezelschap.'' Ze namen een lift naar de brug van het ruimteschip. ``Zo, en nu gaan we lachen, tenminste zodra ik Fozzie in de autodoc heb gelegd. Hij is er slecht aan toe.'' Wally verdween en Garth bleef alleen achter in de stuurhut. Voor de zoveelste maal moest hij zich ontdanks alles verbazen over de techniek van de Ouden. Duizend jaar had dit schip hier gestaan, en nog steeds werkte alles zoals het moest.
Ongelooflijke perfectie. Wally kwam teruggerend. ``We gaan er vandoor, Garth m'n jongen. Fozz redt het wel in de autodoc.'' Garth liet zich in een van de bestuurdersstoelen vallen, naast Wally. ``Zitten we hier dan niet vast? De lancerkoker is dicht - we kunnen niet opstijgen!'' Wally gromde, terwijl hij snel een aantal controles uitvoerde. ``Laat dat maar aan ouwe Wally over. De lanceerkoker voor dat andere schip is toch open? Da's genoeg.'' Hij drukte Garth een koptelefoon in de hand. ``Als jij iedereen in de hal even wilt vertellen dat ze uit de buurt moeten blijven - Gull zal inmiddels wel versterking gehaald hebben.''

Garth keek naar de beeldschermen voor hem. De hal vulde zich net met rennende soldaten toen de waarschuwing door de basis galmde. Na het dreigende brullen van de raketmotoren zochten de aanwezigen snel dekking. Gull stond bij de hoofdingang van de hal zijn woede te verbijten. Hij zag hoe het ruimteschip begon te trillen, zich plotseling verhief uit de krib en een paar meter boven de grond bleef hangen. Doordat de lanceerput gesloten was stond de ruimtehaven in een oogwenk vol vlammen en rook. raketten ontbrandden in de buik van het schip. Langzaam draaide het een halve slag, tot het horizontaal hing in de grote hal die nu veranderd was in een hel van vuur en rook. Uiterst traag, huiverend en trillend schoof het ruimteschip naar de opening in het dak. Het was een staaltje stuurmanskunst van de bovenste plank, want zonder iets te raken kwam het schip langzaam onder de lanceeropening. Knarsetandend moest Gull toekijken terwijl het schip zich recht in de tunnel manoeuvreerde. Daarbij werd het klaarstaande ruimteschip, dat eigenlijk voor de vluchtelingen bestemd was, door de vlammenzee geblakerd. Daarna schoot het schip met enorm gebrul de hemel in.

``Schitterend werk, Wally. Je mag mijn privé-piloot worden als ik eenmaal rijk en beroemd ben.'' Wally grinnikte. ``Wat dacht je, dit is mijn eigen scheepje. Heeft al die tijd trouw op me staan wachten. Hee, mooie truuk, niet? Gull wist niet dat alle verkenners persoonlijke identificatiecodes hebben. Mijn schip was voor iedereen gesloten, tot ze mij rook!'' Garth keek naar buiten. Ze hadden de dampkring al bijna verlaten. ``Al enig spoor van achtervolgers, piloot?'' Wally speurde wat schermen af. ``Mja, vier stuks. Gull heeft zeker geen hoge dunk van me, anders had hij wel meer schepen achter ons aan gestuurd.''

Hij drukte op een knop en er zakte een toestel naar beneden voor Garth's stoel. ``Goed, Garth. Jij bent de boordschutter. Ik ontwijk ze en jij blaast ze uit de ruimte, okee? We zullen ze 'ns een poepie laten ruiken!''

Hoofdstuk 7: De Afrekening

De ruimtevloot van keizer Varishin staat klaar om op te stijgen. Hoe kan Garth voorkomen dat de tiran aan z'n bloedige veroveringstocht door de Melkweg begint? Hij is samen met Wally en Fozz tenauwernood ontsnapt uit de vijandelijke basis, en heeft de grootste moeite om zelf het vege lijf te redden...

Toen Garth na de eerste bochten met vijftien G weer bijgekomen was had Wally gegrinnikt. ``Sorry, geen kunstmatige zwaartekracht aan boord van dit schip; luxe is er niet bij voor verkenners. Je zult er aan moeten wennen.'' Sindsdien was er een uur voorbijgegaan en Garth was er nog steeds niet aan gewend. En hij wist dat hij de kwelling nog veel langer zou moeten verdragen omdat Wally er nog steeds niet in geslaagd was om hun vier achtervolgers af te schudden. Ze werden constant beschoten door de jagers van Varishin; alleen door het schip in de grilligste bochten te trekken voorkwam Wally dat de afweerschermen overbelast raakten door al te geconcentreerd vuur. De afstand tussen jagers en prooi werd maar heel langzaam groter; voor langdurig versnellen was een tamelijk rechte koers nodig. Het kat-en-muis spelletje zou nog uren doorgaan. Kreunend zakte Garth in z'n stoel toen Wally weer een nieuwe, gierende bocht inzette om het vuur van de achtervolgende ruimteschepen te ontlopen. Hij deed wanhopige pogingen om na te denken. Vooropgesteld dat ze heelhuids uit de jacht te voorschijn kwamen, was er toch nog geen kans om de ComPol op tijd voor de aanval te waarschuwen. De radio was niet krachtig genoeg om de vele lichtjaren tot de dichtsbijzijnde ComPol-vlootbasis te overbruggen - alleen de radio op de maanbasis kon dat. En de maanbasis werd geregeerd door de verrader Veelal Kortsnim. De corrupte politiechef zou bepaald niet van plan zijn om zijn superieuren van de dreigende ruimteoorlog op de hoogte te brengen: daarvoor had het geld van Expact wel gezorgd. Garth zag het somber in voor de werelden die bovenaan Varishins lijstje van te veroveren goederen stonden - en voor de onwetende bevolking van Marras, die tenslotte de schuld zou krijgen van de hoogmoedswaanzin van haar keizer. Was er maar een manier om Varishin te vertragen, om hem een tijdje op te houden... Garth knarsetandde. Hij nam zich voor om als hij dit overleefde in ieder geval wraak te nemen op Veelal Kortsnim, de man die de plaatselijke vertegenwoordiger van de wet was, en die nu in zijn veilige maanbasis waarschijnlijk z'n bloedgeld zat te tellen.

Plotseling schoot Garth overeind in z'n stoel, ontdanks de zware versnelling. Een verbluffende gedachte was zijn brein binnengeslopen: hij had de manier gevonden om Varishin een poosje te vertragen en tegelijkertijd de ComPol te waarschuwen! Hij grijnsde breed. Het was iets eenvoudigs, iets voor de hand liggends, en Garth was er trots op dat hij het zelf bedacht had. Hij keek naar de piloot naast hem. ``Wally, we gaan terug. Zet koers naar de maan van Marras.'' Wally gromde. ``Op de maan vinden we geen bescherming tegen deze jongens hoor.'' Garth grinnikte en vertelde wat hij van plan was. Wally floot goedkeurend. ``Goed, zet je maar schrap. Denk niet dat je tot nu toe ook maar iets hebt meegemaakt; vijftien G is niks vergeleken met de bocht die we nu gaan maken!'' Garth voelde een prik tegen de zijkant van zijn hals. ``Niet schrikken. Iets tegen de pijn. Ik heb het mezelf ook laten toedienen. Vooruit!'' De bemanningen van de vier achtervolgende ruimteschepen wisten niet wat ze zagen. Plotseling maakte hun prooi, die zojuist nog wanhopig vluchtte, een lange scherpe bocht om daarna recht op ze af te komen, vurend uit alle kanonnen. Maar hun verbijstering duurde niet lang; al snel concentreerde hun vuur zich op het aanstromende schip. Naarmate de snelheid van het ruimteschip toenam kon Wally zich steeds minder gewaagde bokkensprongen veroorloven, en de afweerschermen begonnen gevaarlijk te gloeien. Dat was de gok, bedacht Garth grimmig. Als de afweerschermen het lang genoeg uithielden kwamen ze er door, en dan was hun snelheid zo groot dat de achtervolgers honderdduizenden kilometers achterbleven. Alarmlichtjes knipperden, en Wally trok de versnellingshendel helemaal naar zich toe. ``Tot ziens - hier of in het hiernamaals.'' Op een lijnrechte koers schoot het schip als een bliksemschicht op de achtervolgers af.

Garth kwam weer bij. Voorzichtig bewoog hij zich. Iedere spier in zijn lichaam protesteerde op overtuigende wijze tegen die handeling. Heel langzaam draaide hij zijn hoofd, om naar Wally te kunnen kijken. Het gezicht van de goedmoedige reus was grijs, verstrakt tot een grijnzend masker. Als een machine bediende hij de instrumenten. Toen hij merkte dat Garth weer bij bewustzijn was verdween de spanning een beetje uit zijn gezicht. Hij slikte moeizaam. ``We zijn erdoor. Hier is je kans om eens een echt ruimteschip te besturen... ik heb een paar verkeerde bewegingen gemaakt, paar botten gebroken.'' De middelen die hij zichzelf had toegediend zorgden ervoor dat zijn handen zonder moeite door bleven werken op het instrumentenbord. ``Ik zal even naar de autodoc moeten, Fozzie gezelschap houden. Hou je taai.'' De vuurleidingsappartuur verdween voor Garth's stoel. In plaats daarvan kwamen bedieningsinstrumenten uit het dek omhoog, identiek aan die van Wally. Tegelijk zakte Wally's stoel achterover en omlaag. Even later sloten luiken in het dek zich boven hem. Garth stond er nu alleen voor, met twee passagiers is de automatische ziekenboeg. In zichzelf mompelend begon hij de hem onbekende apparatuur te onderzoeken. Hij zag dat de Varishin-jagers ver achter lagen. Ze schoten nog wel, maar de afstand was zo groot dat Garth geen gevaar te duchten had van de energiebundels. Een kwartier later had hij de maan van de planeet Marras op zijn schermen; een veilige, hoewel vijandelijke vluchthaven. Grinnikend begon hij de ComPol basis op te sporen.

``Naam, registratienummer en reden van bezoek! Dit is de laatste waarschuwing, meldt U!'' Glimlachend luisterde Garth naar de steeds bozer klinkende stem uit de radio. Zijn komst was pas opgemerkt toen hij al aan zijn landing bezig was, een paar kilometer boven de basis. terwijl de omroeper dreigde het vuur te zullen openen landde het ruimteschip op een vurige staart vlak voor een van de luchtsluizen. Garth sprong uit zijn stoel en rende naar de lift. De luchtsluis van het schip koppelde zich aan die van de basis en even later sisten de deuren open. Met zijn ploffer in de hand stond hij tegenover een legertje haastig toegestroomde ComPol-soldaten. Garth wist dat hij een risico nam, maar de soldaten herkenden hem op tijd en lieten de trekkers met rust. Hun chef moch dan een verrader zijn, zij waren gewoon hardwerkende kerels die van niets wisten en ze verwelkomden Garth met een spervuur van vragen. Vragen die hij makkelijker kon ontwijken dan plofferstralen. ``Radio stuk. Haast. Naar Kortsnim. geen tijd om uit te leggen. Vlug, vlug!''

Begeleid door een stel behulpzame soldaten rende hij door de maanbasis. Hier was alles begonnen, een paar weken geleden. Nietsvermoedend was hij door Veelal Kortsnim op pad gestuurd, nietsvermoedend had hij meegespeeld in het sluwe spel dat Gull en de ComPolchef voor hem bedacht hadden, alleswetend kwam hij nu terug om wraak te nemen. Met een handgebaar stuurde hij de soldaten weg toen ze Kortsnims kantoor bereikt hadden. Een moment wachtte hij tot ze de hoek om waren verdwenen, toen sprong hij naar binnen. Kortsnim zat met zijn rug naar de deur te luisteren naar iemand die via de de communicator waarschijnlijk net Garth's komst doorgaf. Voor hij iets kon doen had Garth de verbinding verbroken en ham achter het bureau vandaan gesleurd. Snel fouilleerde hij de ComPolchef en duwde hem toen in een stoel die voor bezoekers bestemd was. Hij zocht en vond de ploffer die in in een houder onder het bureaublad zat, daarna drukte hij op de knop van de communicator die aangaf dat Kortsnim niet gestoord wenste te worden. tevreden liet Garth zich achterover vallen in Korstnims comfortabele stoel. ``Ah, Kortsnim, het doet me goed om je vriendelijke gezicht weer eens te zien. Mag ik?'' Hij bediende zich van de sigaretten op het bureau. Toen de ComPolchef begon te praten hief hij bezwerend zijn hand. ``Spaar je stembanden, Kortsnim. Je hebt straks nog een heleboel uit te leggen aan je superieuren. Weet je, Gull heeft me een heleboel verteld over het schitterende plan dat jullie voor Marras hadden opgesteld. Het zal je plezier doen te horen dat ik mijn aandeel daarin keurig heb uitgevoerd. De vloot van Varishin kan ieder moment opstijgen, en een paar schepen zijn al in de ruimte. Je mag me nu bedanken.'' Garth tipte de as van zijn sigaret en bekeek het gezicht van Korstnim. Diens wenkbrouwen gingen omhoog. ``Gull heeft je ertoe overgehaald om met ons samen te werken? Daar geloof ik niets van - er is geen enkele reden voor. Wat doe je hier?'' Garth grijnsde breed. ``Jou overhalen om met mij samen te werken, vriend Kortsnim. Ik zij net dat een deel van Varishins vloot zich al in de ruimte bevindt. Dat klopt ook - ze hangen recht boven de basis. Ik heb ze hiernaartoe gelokt. Vier jagers zijn mijn schip hierheen gevolgd, en zien nu tot hun stomme verbazing op hun eigen maan een basis van de zo gehate buitenwerelders. Wat denk je dat keizer Varishin doet als hij dat hoort?'' Kortsnim slikte moeilijk. ``Ze zullen ons platbombarderen! Wij zullen het eerste doelwit zijn... idioot! Zo'n aanval overleven we geen van allen!'' De ComPol chef was lijkbleek geworden. ``Precies. En je hoeft er ook niet op te rekenen dat 's keizers adviseur, de geachte Gull, zal proberen een goed woordje voor je te doen; zijn doel is bereikt, hij is alleen blij dat hij lastige getuigen uit de weg kan ruimen. Je spel is uit, Kortsnim.''

Met enige moeite wist Kortsnim zich opnieuw te beheersen. ``Goed, Garth, zeg het maar. Je wist van tevoren dat deze basis niet zwaar genoeg bewapend is om een massale aanval lang te weerstaan, dus door hier te komen heb je ook je eigen doodvonnis getekend. Wat wil je?'' Garth gooide het restant van zijn sigaret in de asbak, waar het met een korte flits verdween. ``Jij gaat nu de dichtsbijzijnde ComPol-vlootbasis waarschuwen, Kortsnim, en ze alles vertellen wat je weet. Het hele verhaal. Zeg dat ze zo snel mogelijk hierheen komen met een vloot. Oh, en vergeet ook niet te zeggen waar Varishin het eerst gaat toeslaan, dan kunnen ze hem ook daar warm ontvangen. Hoe lang duurt het voor ze hier kunnen zijn?'' Kortsnim gromde. ``Veertig uur, op z'n minst. Maar wat heb ik bij jou plan te winnen?'' Garth sprong overeind om Kortsnim bij de communictor te laten. ``Je eigen miserabele leven, Veelal Kortsnim, en dat van je mannen hier in deze basis. Zodra je gedaan hebt wat ik wil vertel ik je hoe je het bombardement veertig uur kunt overleven. Schiet op!'' Met trillende handen bracht Kortsnim de verbinding tot stand. Het werd een lang gesprek. Toen hij tenslotte genoeg verteld had naar Garth's smaak mocht hij ophangen. ``Goed, ze zijn onderweg. Nu je idee, of heb je niks?'' Garth keek verongelijkt. ``Ah, zou ik tegen je liegen?'' Het zweet liep over Kortsnims kale voorhoofd. ``Natuurlijk.'' Garth lachte. ``Je hebt gelijk. Maar deze keer heb ik het beste met je voor. Geef je mannen bevel om al het geschut automatisch te laten vuren op alles wat zich op minder dan drie kilometer hoogte boven de basis bevindt. Sluit de energievoorziening aan op de hoofdreactor. Zorg dat alle manschappen in hun ruimtepak stappen en zoveel extra zuurstofampullen meenemen als ze kunnen dragen. Terwijl de kanonnen genoeg warmte produceren om jullie onzichtbaar te maken voor de warmtedetectoren van de aanvallers gaan jullie er vandoor, de basis uit. Een voor een. Met een beetje geluk wordt jullie vlucht niet ontdekt en kunnen jullie een eind van de basis wachten tot de ComPol-vloot hier is om jullie op te pikken. Veel succes.'' Garth liep naar de deur. ``En zet de verwarming van je pak maar zo laag mogelijk - ik weet niet of het helpt, maar je weet nooit.'' Garth rende terug naar z'n schip. Bij de luchtsluis werd hij opgewacht door verbaasde en verontruste ComPol-soldaten. Ze hadden de vier jagers gezien die boven de basis hingen. ``Ik heb geen tijd, zorg ervoor dat die vier schepen beziggehouden worden door jullie geschut! Ik ga een afleidingsmanouvre proberen!'' Even later kwam het schip trillend tot leven. De zware motoren bulderden. Terwijl de energiekanonnen van de basis de hemel aan stukken sneden steeg Garth op. Gespannen stuurde hij het schip op nog geen vijftig meter van de grond tussen de kanonnen door, hopend dat de jagers het te druk hadden om hem te ontdekken.

Het bekraterde maanoppervlak joeg met duizelingwekkende snelheid onder hem door. Garth deed zijn uiterste best om niet hoger dan vijftig meter te vliegen, en dat was een riskante zaak. Na een bezweet half uur was hij aan de andere kant van de grauwe, luchtloze maan, zodat de jagers hem niet meer konden ontdekken. Met de grootste versnelling die hij kon verdragen liet hij het maanoppervlak nu onder zich. Nog een hele tijd hield hij het hemellichaam tussen zichzelf en de vier jagers, toen had hij genoeg snelheid om een achtervolging nutteloos te maken. Met een wijde boog dook hij naar de groene planeet Marras, die groot en glimlachend op zijn beeldschermen te zien was. Hij was in veiligheid. Garth zuchtte en leunde achterover in zijn stoel, die plotseling heel comfortabel aanvoelde. Grijnzend, met halfgesloten ogen, genoot hij van z'n overwinning. Binnen een aantal uren zou de ComPolvloot hier zijn, ongetwijfeld snel genoeg om Varishin nog te kunnen onderscheppen. Bovendien zouden uit alle sectoren schepen deze kant opkomen en uitkijken naar de vijandelijke ruimtevloot. Varishin zat als een rat in de val. En Kortsnim kon een fijne, koude nacht doorbrengen op het luchtloze maanoppervlak, gevangene van z'n ruimtepak. Het leven was mooi.

Een geluid deed Garth opschrikken uit z'n slaap. De stoel met Wally was weer opgerezen uit de vloer, en Fozz stond er naast. ``Hm, ik ben even ingedut. Ik geloof dat jullie er beter aan toe zijn dan ik. Helemaal genezen, Wally? Fozz? Jullie hebben wel het leukste gedeelte van het feest gemist. Hee Wally, laat Fozz z'n kasteel eens opzoeken op de kaart. We gaan in stijl feestvieren bij onze baron thuis.'' Hij legde uit wat er allemaal gebeurd was. Op vragen van Fozz antwoordde hij alleen: ``Later, later! Het vertelt veel makkelijker met een goed glas wijn erbij en wat te eten. Zoek je kasteel nou maar op, Marras is groot genoeg.'' Fozz en Wally verdwenen, en Garth stuurde het schip terug naar Marras, waar hij tijdens zijn slaap ver voorbij was geschoten. Wat later veranderde hun landingsvlam een deel van het bos in een zwartgapende wond. Het ruimteschip daalde neer op een kleine honderd meter van het sombere kasteel waar Garth Fozz, naar het scheen lang geleden, voor het eerst ontmoet had.

De glazen waren groot, de wijn was lekker, net als het eten. Tijdens het door de verbijsterende bedienden van Fozz in allerijl verzorgde feestmaal heerste een tevreden stilte. Pas toen er niets meer op tafel lag waar Garth's maag nog belangstelling voor toonde nam hij met een breed gebaar zijn glas in de hand en riep: ``Op mij!'' Een dienstertje keek verschrikt op. Fozz en Wally hieven lachend hun glas. ``Op jou!'' Fozz ging staan. ``Op Garth, de man die Marras gered heeft. Moge hij immer in de herinnering van onze wereld voortleven.'' Garth klonk met hem. ``Geef me een standbeeld op het dorpsplein en dan praten we nergenns meer over, baron. Laten we drinken op Wally, de man die z'n tijd ver vooruit is.'' Ook daarop werd geklonken. ``Op Fozzie, die ontdanks zijn uiterlijk en z'n adelijke afkomst, goede hoop geeft voor de rest van de Marraanse bevolking!'' Wally bulderde van het lachen toen hij die toast uitsprak. Er werd die avond nog op heel wat gedronken, en toen ze geen toasts meer konden verzinnen dronken ze hun wijn zo op.

De daaropvolgende dagen waren gevuld met prettige bezigheden als eten, drinken, slapen en praten over de gebeurtenissen van de afgelopen weken. De eerste nacht hadden ze zitten kijken hoe op de maan kleine lichtpuntjes dansten; de verwoesting van Kortsnim's basis door Varishins vloot. Het was volle maan en het vuurwerk was schitterend. Daarna begon Garth de laatste draadjes vn het wandkleed dat Marras heette aan elkaar te knopen. Er werd een ploeg mannen van Fozz op pad gestuurd om de bakenzender op te halen die Garth bij zijn eerste aankomst op Marras vlakbij in het bos verstopt had. Hij legde Fozz uit hoe het ding ingeschakeld moest worden. Nu de problemen van Marras waren opgelost begon Garth weer aan zijn eigen toekomst te denken. Dankzij de verklaring van Kortsnim was het complot van Expact, en haar agent Gull, aan het licht gekomen - de ComPol zou geen reden hebben om vergeldingsmaatregelen op Marras uit te voeren. Maar Kortsnim zou als hij gearresteerd werd proberen om de schuld zoveel mogelijk op Garth te schuiven, en voor iemand die in driekwart van de bekende Melkweg gezocht werd zou het moeilijk zijn om die beschuldigingen te weerleggen. daarom had Garth in overleg met Fozz, besloten tot een laatste stunt. Die stunt hd tot gevolg dat het kasteel van Fozz na het ontroerende afscheid van Garth en Wally gedompeld was in diepe rouw. Dagen later landde er een groot schip van ComPol voor de poort, opgeroepen door het signaal van de bakenzender. De kapitein van het schip en de onderzoekscommissie die aan boord was weren plechtig ontvangen door baron Fozz Redkliff. De jonge baron was vanzelfsprekend bereid om de bezoekers van de sterren alle inlichtingen te geven die ze maar wilden hebben. In zijn verhaal vestigde hij speciaal de aandacht op de heldhaftige rol die een zeker Will Garth in de gebeurtenissen had gespeeld. Toen de buitenwerelders vertelden dat die Garth, ontdanks zijn schijnbare heldendom hier, in de rest van de Melkweg bekend stond als een oplichter en een schurk, en vroegen waar die vent dan wel was gebleven, legde de baron op trieste toon uit dat de held van Marras met zijn ruimteschip helaas onlangs was neergestort in de bergen, niet ver weg; de ontploffing was tot ver in de omtrek te horen geweest. Een groot verlies voor Marras. De commissie, niet gauw tevreden, trok met metaaldetectoren het gebergte in. Daar ontdekten ze een zeer recente aardverschuiving, waarschijnlijk veroorzaakt door een krachtige explosie. De plek waar het wrak van het ruimteschip moest liggen was bedolven onder tientallen meters rots. Toen ze er bovendien achterkwamen dat het gesteente op deze plek bijzonder ijzerhoudend was besloten ze al gauw dat Garth inderdaad was neergestort en om het leven gekomen. Hun achterdocht gesust door de gedachte aan het vele werk, de enorme kosten en de hoeveelheid tijd die in een opgraving zouden gaan zitten keerden ze terug naar het kasteel. Na nog verdere ondervragingen stapten ze in hun schip en vertrokken.

Fozz zag het ruimteschip glimlachend kleiner worden. De commissie had hem benoemd tot voorlopig planetair vertegenwoordiger van Marras. Het leger van Varishin had zich inmiddels, geconfronteerd met een enorme overmacht, zonder slag of stoot overgegeven en werd nu, ontwapend, teruggebracht. De militaire waarnemers die op Marras zouden blijven tot de rust was weergekeerd zouden zich door de jonge baron laten adviseren. De exploitatiemaatschappij Expact had in verband met haar rol in de affaire Marras een aantal leden van haar directie ontslagen en zich bereid verklaard tot het doen van herstelbetalingen. Gull, een werknemer van Expact werd door de ComPol gezocht, terwijl Veelal Kortsnim veroordeeld was tot een aantal jaren dwangarbeid. Fozz was blij. Terwijl hij in zijn kasteel voorbereidingen trof voor zijn aanstaande vertrek naar de hoofdstad Amarra, grinnikte hij om de schurk die er voor gezorgd had dat zijn planeet nu op de drempel stond van een volwaardig bestaan naast de andere bewoonde werelden in de Melkweg, de schurk die als afscheidsgeschenk een halve berg had opgeblazen. Maar al snel zette hij die gedachten van zich af. Hij moest zich gaan concentreren op zijn nieuwe taak; het contact onderhouden tussen de nog onwetende middeleeuwse bevolking van Marras en de rest van de mensheid.

Duizend lichtjaren verder spiraalde een klein ruimteschip naar het oppervlak van een planeet die volgens de beeldschermen en de radio van het schip bruiste van het leven. Piloot Wally had zojuist de plaatselijke ruimtehaven verzocht om landingsinstructies. Hij keek om naar de man die achter hem stond. ``Je hebt alle papieren klaar?'' Glimlachend ging de man zitten in een van de bestuurdersstoelen. ``Alles in orde, Wally. We zullen volkomen legaal landen, met alle benodigde documenten bij de hand. Het heeft me een hoop tijd gekost, maar deze dingen zijn nu niet meer van echt te onderscheiden.'' Hij wapperde met een stapeltje briefjes die hij in zijn hand hield. ``Toen ik hier het laatst was, een jaar of vijftig geleden, hadden ze hier een stel casino's, die allemaal zo vals speelden als ze maar konden. Omdat ik een beetje beter valsspeel dan zij, zullen we hier onze voorraad contanten aanvullen. Vooruit, landen!'' Wally zuchtte. ``Okee, Garth, als jij het zegt.'' De man naast hem schudde bestraffend met zijn wijsvinger. ``Eh, eh! Garth is dood, denk daaraan. Het dikke dossier van de ComPol over die beruchte misdadiger is uit hun opsporingsarchief verdwenen. Hij is bij een ongeluk op de planeet Marras om het leven gekomen, en zijn misdadige carrière is afgelopen. Will Garth zal hoogstens voortleven in de herinnering van de brave bevolking van Marras.'' Wally was druk bezig met zijn instrumentenbord terwijl hij zei: ``Oh, ja? En wie zit er dan naast me?'' Zijn passagier grinnikte. ``Will Denvik, een uiterst eerzame burger. Onschuldig als een pasgeboren lam.'' Wally landde op de ruimtehaven. Toen het schip stilstond keek hij nog eens naar de man naast hem. ``Denvik! Mooie naam. Ik heb zo'n gevoel dat de ComPol al gauw weer een dik dossier zal hebben over die Will Denvik!'' Garth lachte. Het was mooi weer buiten.